Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB3098

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2001
Datum publicatie
29-10-2001
Zaaknummer
C99/370HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB3098
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2001/238
JOL 2001, 572
JWB 2001/272

Uitspraak

26 oktober 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/370HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

RANZIJN TUIN & DIER ZAANSTAD B.V., gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 14 november 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: Ranzijn - gedagvaard voor het Kantongerecht te Zaandam en gevorderd Ranzijn te veroordelen aan [eiser] vanaf 24 september 1996 en tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te betalen een bedrag van ƒ 2.483,97 bruto per maand te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat het loon verschuldigd is geworden respectievelijk zal worden tot aan de dag der algehele voldoening.

Ranzijn heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 12 maart 1998 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Haarlem.

Bij vonnis van 24 augustus 1999 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Ranzijn heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het vonnis en tot verwijzing naar het Hof te Amsterdam.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [Eiser] is op 21 april 1993 als algemeen medewerker in dienst getreden bij Plantencentrum de Omval te Alkmaar, voor 20 uur per week.

(ii) Dit plantencentrum behoort tot de Ranzijn groep. Deze economische eenheid omvat onder meer een beheermaatschappij en een zestal werkmaatschappijen. Vijf daarvan houden zich bezig met verkoop van tuin- en dierartikelen aan particulieren. Ranzijn is een van deze werkmaatschappijen.

(iii) [eiser] is met ingang van 11 april 1994 voor 38 uur per week, voor één jaar, in dienst getreden van Ranzijn. Hij bleef twee dagen per week werken bij de Omval te Alkmaar. Gedurende drie dagen per week werkte hij bij Ranzijn in Zaandam. Met ingang van 1 april 1995 zijn [eiser] en Ranzijn een arbeidsovereenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd.

(iv) [eiser] kreeg de functie van medewerker dier. De functiebeschrijving vermeldt onder meer:

- "Presentatie": vegen, schrobben;

- "Goederenontvangst": uitpakken, grijpvoorraad instapelen;

- "Opslag en transport": artikelen efficiënt opslaan in overleg met magazijnmedewerker - artikelen naar de winkel transporteren, - plaatsen in schappen en rekken;

- "Dierverzorging": voederen en water geven; hokken/aquaria schoon houden.

(v) Op 24 september 1995 is [eiser] wegens ziekte arbeidsongeschikt geworden. Hij bleek te zijn gehandicapt voor tillen en dragen (voor meer dan 5 kg belasting), voor het gebruik van zijn nek en voor staan (niet meer dan een half uur aaneengesloten).

Na overleg tussen Ranzijn en de Bedrijfsvereniging heeft [eiser] gedurende het eerste jaar van zijn arbeidsongeschiktheid doorgewerkt bij Ranzijn. Daarbij werd echter rekening gehouden met zijn handicap (dragen en tillen). De loonwaarde van zijn werk werd vastgesteld op 50%, zodat de werkgever slechts 50% loon behoefde te betalen.

(vi) Met ingang van 24 september 1996 is [eiser] voor minder dan 15% arbeidsongeschikt verklaard. Hij kon weliswaar nog steeds de overeengekomen arbeid niet volledig verrichten, maar hij werd wel in staat geacht andere passende arbeid te verrichten.

(vii) [Eiser] heeft zich bereid verklaard met ingang van laatstgenoemde datum passende werkzaamheden voor Ranzijn te verrichten, dat wil zeggen: werk waarbij wordt rekening gehouden met zijn medische beperkingen.

(viii) Ranzijn heeft meegedeeld dat zij dergelijk werk niet voorhanden heeft en weigert doorbetaling van loon.

(ix) [Eiser] heeft op 9 juni 1997 een functie aanvaard bij een tuincentrum in Schagen.

3.2 [Eiser] heeft in dit geding gevorderd dat Ranzijn zal worden veroordeeld tot doorbetaling van loon vanaf 24 september 1996 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Ranzijn is beëindigd. Daartoe heeft [eiser], samengevat, aangevoerd dat Ranzijn aan [eiser] heeft meegedeeld dat zij met ingang van genoemde datum geen passend werk voor hem heeft en niet langer prijs stelt op het verrichten van arbeid door [eiser]. Deze heeft zich bereid verklaard bij Ranzijn, dan wel bij een groepsmaatschappij, passend werk te verrichten. Volgens [eiser] bestaat de mogelijkheid tot het verrichten van passend werk binnen de organisatie van Ranzijn. Nu Ranzijn geen gebruik maakt van het aanbod van [eiser] tot het verrichten van passende arbeid en de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, is Ranzijn volgens [eiser] gehouden hem zijn salaris door te betalen.

Ranzijn heeft tot haar verweer aangevoerd, samengevat weergegeven, dat [eiser] niet voor niets blijvend ongeschikt is bevonden om de overeengekomen arbeid te verrichten. [Eiser] kan niet worden vrijgesteld van sjouwen en tillen. Van Ranzijn kan, naar zij aanvoert, niet worden gevergd dat zij [eiser] andere passende arbeid aanbiedt omdat zodanige andere arbeid niet voorhanden is en niet kan worden gecreëerd.

De Kantonrechter heeft de vordering van [eiser] afgewezen. De Rechtbank heeft de tegen het vonnis van de Kantonrechter aangevoerde grieven verworpen. Daartoe heeft de Rechtbank, samengevat, overwogen dat een algemeen medewerker dier in een cash- en carrybedrijf zwaar sjouw- en tilwerk dient te kunnen verrichten. Van Ranzijn kan, naar het oordeel van de Rechtbank, in redelijkheid niet worden gevergd dat telkens wanneer [eiser] zware zaken of materialen moet tillen of sjouwen de hulp wordt ingeroepen van een collega-verkoopmedewerker.

Het middel keert zich tegen de beslissing van de Rechtbank en de gronden waarop zij berust.

3.3 De Rechtbank heeft in haar rov. 4, waar zij de door [eiser] in hoger beroep aangevoerde grief 1 verwerpt, geoordeeld, samengevat weergegeven, dat uit de hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde functieomschrijving voortvloeit dat de functie van [eiser] meebrengt dat hij het "nodige" - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk bedoelt: veel -sjouw- en tilwerk zou moeten verrichten. De Rechtbank doelt daarmee erop dat verpakte zaken met een gezamenlijk gewicht van meer dan 5 kg moeten worden opgetild en met de hand verplaatst. Zulks volgt uit het oordeel van de Rechtbank, in haar door het onderdeel bestreden rechtsoverweging, dat van algemene bekendheid is dat in een "cash- en carrybedrijf" als dat van Ranzijn het nodige (zware) sjouw- en tilwerk dient te worden verricht en dat in een dergelijk bedrijf de verkoop van diervoeders in grotere verpakkingen dan van 5 kg veel voorkomt.

[Eiser] heeft in de feitelijke instanties herhaaldelijk betoogd dat zijn functie bij Ranzijn slechts in een gering aantal gevallen meebracht dat hij verpakte zaken met een gezamenlijk gewicht van meer dan 5 kg moest tillen of verplaatsen. Daartoe heeft hij in het bijzonder ook aangevoerd dat in een andere vestiging van Ranzijn verpakkingen van 25 kg werden verdeeld in verpakkingen van 5 kg. De Rechtbank heeft echter niet ervan blijk gegeven dat zij hetgeen [eiser] in dit verband heeft gesteld en aangevoerd in haar beoordeling van de hiervoor bedoelde grief heeft betrokken. In zoverre is het vonnis van de Rechtbank dan ook niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De hierop gerichte klachten van de onderdelen 1 a - 1 c en de onderdelen 2 a, 2 c, en 2 d, zijn derhalve gegrond. Gegrondbevinding van deze klachten brengt mee dat in het midden kan blijven of van algemene bekendheid is hetgeen de Rechtbank in haar rov. 4 van algemene bekendheid acht.

3.4 Onderdeel 2 b is gericht tegen rov. 6 van de Rechtbank. In deze rechtsoverweging komt de Rechtbank tot het oordeel dat het ontlasten van [eiser] van de werkzaamheden die hij als gevolg van de voor hem geldende beperkingen niet meer kon verrichten, door deze werkzaamheden aan collega's over te dragen, niet van deze collega's en evenmin van Ranzijn kan worden gevergd.

Dit oordeel zou alleen dan begrijpelijk zijn indien de Rechtbank zou hebben vastgesteld dat de frequentie van de gevallen waarin een beroep op collega's van [eiser] zou moeten worden gedaan om [eiser] te ontlasten zó hoog zou zijn dat niet van die collega's en ook niet van Ranzijn zou kunnen worden gevergd dat [eiser] op deze wijze zou worden ontlast van werkzaamheden die hij, gelet op zijn handicap, niet kon verrichten. [Eiser] heeft ook in dit verband echter aangevoerd, zoals hiervoor onder 3.3 reeds is overwogen, dat zijn functie slechts in een gering aantal gevallen meebracht dat hij verpakte zaken met een gezamenlijk gewicht van meer dan 5 kg moest tillen of verplaatsen. Deze stelling kan bezwaarlijk anders worden opgevat dan als de stelling dat de frequentie van de gevallen waarin [eiser] een beroep zou moeten doen op hulp van zijn collega's niet zo hoog was dat het verlenen van medewerking niet van hen en Ranzijn kon worden gevergd. Nu de Rechtbank niet ervan heeft blijk gegeven dat zij deze stelling in haar beoordeling heeft betrokken, is ook haar door het onderdeel bestreden oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het onderdeel treft derhalve eveneens doel.

3.5 Gegrondbevinding van de hiervoor genoemde klachten brengt mee dat onderdeel 2 e geen behandeling meer behoeft. Hetgeen in dit onderdeel wordt aangevoerd kan na verwijzing aan de orde komen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 24 augustus 1999;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Amsterdam;

veroordeelt Ranzijn in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 3.889,15 in totaal, waarvan ƒ 3.846,65 op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier, en ƒ 42,50 te voldoen aan [eiser].

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 oktober 2001.