Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB3048

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-11-2001
Datum publicatie
09-11-2001
Zaaknummer
36657
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB3048
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/67 met annotatie van P.H.J. Essers
FED 2001/619
FED 2002/1
WFR 2001/1707, 2
V-N 2001/61.16 met annotatie van Redactie
NTFR 2003/849 met annotatie van mr. P.J.A. Vissers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.657

9 november 2001

FA

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 oktober 2000, nr. P99/1964, betreffende na te melden aan X N.V. te Z opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 88.533.176.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 87.624.458. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het desbetreffende geschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord.

De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 18 juni 2001 geconcludeerd tot gegrondverklaring van zowel het principale als het incidentele beroep, vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing van de zaak.

Belanghebbende heeft een schriftelijke reactie op de conclusie gegeven.

3. Beoordeling van het middel van de Staatssecretaris

Het Hof heeft de overeenkomst tussen belanghebbende en C B.V. aldus uitgelegd dat de koopsom en het daarnaast door belanghebbende betaalde bedrag van ƒ 944.778 zijn betaald ter zake van de verwerving van een zelfstandig gedeelte van de onderneming van C B.V., en dat een deel van die betalingen betrekking heeft op in dat zelfstandige gedeelte van de onderneming aanwezige goodwill. Voorzover het middel deze oordelen bestrijdt met het betoog dat de betalingen slechts betrekking hebben op een bedrijfsmiddel dat bestaat uit bepaalde eigendomsrechten, komt het tevergeefs op tegen de aan het Hof voorbehouden uitleg van die overeenkomst. Voor het overige komt hetgeen in het middel wordt aangevoerd erop neer dat het oordeel dat is betaald voor goodwill onbegrijpelijk is, aangezien indien de bestaande organisatie, marktpositie en relaties waarde zouden hebben, deze factoren in het verleden geleid zouden moeten hebben tot overwinst, terwijl volgens de Inspecteur met de overgenomen uitgave-activiteiten slechts verliezen zijn geleden. Ook in zoverre faalt het middel, aangezien die omstandigheid - indien juist - niet uitsluit dat belanghebbende bereid was zich een offer te getroosten voor de verwerving van die organisatie, marktpositie en relaties omdat zij van mening was dat die in haar handen de mogelijkheid tot het behalen van overwinst boden.

4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

Het Hof heeft geoordeeld dat de uitgavenrechten moeten worden aangemerkt als een bedrijfsmiddel dat niet voor afschrijving vatbaar is. Op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal in de onderdelen 4.4 en 6.1 tot en met 6.5 moet worden geoordeeld dat evenvermeld oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het daartegen gerichte middel slaagt derhalve. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven; verwijzing moet volgen.

5. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond,

verklaart het incidentele beroep van belanghebbende gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 4793 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2001.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van ƒ 630.