Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB3040

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2001
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
36211
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/318
WFR 2002/1162, 2
V-N 2002/39.14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.211

27 juni 2001

JV

gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenaam van A, gewoond hebbende te Q, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 mei 2000, nr. BK-95/02460, betreffende na te melden ten name van X vastgestelde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Ten name van A (hierna: erflaatster) is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld naar een belastbaar inkomen van f 23.600, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De erfgenaam van erflaatster (hierna: belanghebbende) is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 22.780.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd.

De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2001.