Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2946

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2001
Datum publicatie
31-10-2001
Zaaknummer
01770/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2946
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Leerplichtwet 1969 5 (oud), geldigheid: 2001-10-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 585
NJ 2002, 98

Uitspraak

30 oktober 2001

Strafkamer

nr. 01770/00

MA/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 13 december 1999, nummer 02/403143-96, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Tilburg van 2 april 1997 - de verdachte ter zake van "als een in artikel 2 van de Leerplichtwet 1969 bedoeld persoon de in dat artikel opgelegde verplichtingen niet nakomen" veroordeeld tot een geldboete van éénhonderdenvijftig gulden, subsidiair drie dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover daarin art. 41 van de Leerplichtwet 1969 als toepasselijk wettelijk voorschrift is vermeld, met verwerping van het beroep voor het overige.

2.2. Op het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal kan de Hoge Raad geen acht slaan nu dit commentaar niet binnen de bij de wet gestelde termijn is binnengekomen.

3. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het eerste middel en ambtshalve

3.1. Het middel komt op tegen de toetsing door de Rechtbank van de bezwaren van de verdachte tegen de richting van het onderwijs, als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b (oud), van de Leerplichtwet 1969.

3.2. Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg tenlastegelegd dat:

"zij in de periode tussen 1 mei 1996 en 4 november 1996 in de gemeente Goirle, als degene die het gezag over een jongere uitoefent dan wel als degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, niet aan haar verplichting heeft voldaan overeenkomstig de bepalingen van de "Leerplichtwet 1969" ervoor te zorgen dat die jongere, genaamd [het kind], als leerling van een school stond ingeschreven."

3.3. Als samenvatting en verwerping van een ter terechtzitting gevoerd verweer, houdt de bestreden uitspraak, onder meer, het volgende in:

"Verdachte heeft aangevoerd dat zij een maand voordat [het kind] 5 jaar werd -en dus tijdig- een beroep heeft gedaan op de vrijstellingsbepalingen van de Leerplichtwet aangezien zij als ouder overwegende bezwaren heeft tegen de richting van het onderwijs in haar woonplaats en in de directe omgeving van haar woonplaats; zij heeft aangegeven wat haar richting is, tot meer was zij niet verplicht.

(...)

De rechter overweegt in hoger beroep het volgende.

Verdachte heeft aangevoerd dat "als tijdig een beroep is gedaan op een ontheffingsgrond voor de leerplicht, er geen sprake kan zijn van overtreding van de Leerplichtwet, daar immers de inhoud van de bezwaren, indien er sprake is van een levensbeschouwing, niet mogen worden getoetst."

Deze stelling is onjuist, daar zowel de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 1980, als de Minister van Onderwijs in zijn circulaire van 15 november 1982, ervan uitgaan, dat het bezwaar tegen de richting van het onderwijs, dient te worden getoetst.

Het bezwaar dient "overwegend" te zijn, wil het de leerplicht opzij zetten.

Verdachte is breedvoerig ingegaan op de eigen levensbeschouwing, doch heeft onvoldoende onderbouwing gegeven voor de stelling dat de bezwaren tegen de richting van het onderwijs op alle scholen en onderwijsinstellingen "overwegend" zijn.

De door verdachte genoemde bezwaren zijn niet specifiek, doch vrij algemeen, en van een zodanige aard, dat zij niet als "overwegend" aangemerkt kunnen worden.

De omstandigheid, dat de moeder van [het] minderjarige [kind] geruime tijd werkzaam is geweest op een reguliere basisschool, -en de vader hiermee kennelijk instemde- geeft steun aan de gedachte dat de bezwaren van de verdachte tegen een dergelijke school niet "overwegend" zijn geweest daar het toch moeilijk in te denken valt, dat men "vrijwillig" meewerkt aan een schoolregiem, als men tegen dat regiem zeer ernstige principiële bezwaren heeft.

Bij toetsing worden de bezwaren dan ook als "niet-overwegend" verworpen."

3.4. Artikel 5, aanhef en onder b (oud), van de Leerplichtwet 1969 houdt, voorzover hier van belang, in dat:

"De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling is ingeschreven, zolang

a. (...)

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning (...) gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegend bezwaar hebben."

Teneinde een beroep op deze vrijstelling te kunnen doen moeten die personen ingevolge art. 6 van de Leerplichtwet 1969 aan Burgemeester en Wethouders van de desbetreffende gemeente een kennisgeving doen, onder meer inhoudend op welke grond zij op die vrijstelling aanspraak menen te mogen maken.

3.5. Door te overwegen als hiervoor weergegeven heeft de Rechtbank de strekking van de Leerplichtwet 1969 en de inhoud van de door haar aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad (HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190) miskend. Indien een beroep is gedaan op de voormelde vrijstellingsgrond, dient de rechter te onderzoeken of de bezwaren de richting van het onderwijs betreffen. De Rechtbank gaat er echter ten onrechte vanuit dat de rechter ook het gewicht mag beoordelen van de door de verdachte opgeworpen bezwaren als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b (oud), van de Leerplichtwet 1969. Daarom is de verwerping van het door de verdachte gedane beroep op de vrijstelling van de verplichting haar kind in te schrijven niet naar behoren gemotiveerd.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.M.M. Orie, in bijzijn van de waarnemend-griffier M.I. Veldt-Foglia, en uitgesproken op 30 oktober 2001.