Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2938

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
22-10-2001
Zaaknummer
00169/01 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2938
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 499
NJ 2001, 588
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juli 2001

Strafkamer

nr. 00169/01 U

SO/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 1 september 2000, parketnummer 00/9865, op een verzoek van de Republiek Frankrijk tot uitlevering van:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Kaap-Verdië) op [geboortedatum] 1945, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring "Amerswiel" te Heerhugowaard.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [verdachte] aan de Republiek Frankrijk deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, één en ander zoals in de bestreden uitspraak staat omschreven.

2.Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk geen betrekking heeft op de bestreden uitspraak voorzover de verzochte uitlevering daarbij ontoelaatbaar is verklaard - is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voorzover daarbij is verzuimd de ten tijde van die uitspraak door de verzoekende staat overgelegde stukken ongenoegzaam te oordelen en ten aanzien van de toelaatbaarverklaring voorzover aan zijn oordeel onderworpen, dat de Hoge Raad het beroep voor het overige zal verwerpen en voorts optredende als feitenrechter de door de verzoekende staat overgelegde stukken met inbegrip van de inmiddels overgelegde tekst van de artikelen 121-6 en 121-7 van de Code Pénal genoegzaam zal oordelen en de vernietigde toelaatbaarverklaring alsnog zal herstellen.

3.Beoordeling van het middel

3.1. In het middel wordt erover geklaagd dat de Rechtbank ten onrechte het verweer heeft verworpen dat de verzoekende staat heeft verzuimd de tekst over te leggen van de rechtsvoorschriften die betrekking hebben op de strafbaarstelling van deelneming.

3.2. De van het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank deel uitmakende pleitnotities houden in dat aldaar door de raadsman onder meer is aangevoerd:

"Niet alleen ontbreken de betreffende wetsbepalingen, maar evenzeer de bepalingen betreffende de strafbare deelnemingsvormen. Hieraan bestaat evenzeer behoefte nu blijkens de stukken sprake is van invoer van verdovende middelen in Frankrijk door getuige c.q. verdachte C[...] en het uitleveringsverzoek melding maakt van een verdenking van het in- of uitvoeren, vervoeren, voorhanden hebben, aanbieden, verkopen, aankopen, gebruiken van verdovende middelen, wederrechtelijk voorhanden hebben, smokkel en betrokkenheid bij fraude. Behoudens de zinsnede betrokkenheid bij fraude wordt geen melding gemaakt van enige deelnemingsvorm".

De Rechtbank heeft dat verweer in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van de opgeëiste persoon heeft

- kort samengevat - de navolgende verweren aangevoerd:

1. Bij de officiële uitleveringsdocumenten ontbreken afschriften van de toepasselijke wetsbepalingen die betrekking hebben op de strafbaarstelling van deelneming.

(...)

ad 1. Tot de documenten bedoeld in artikel 12 van het EUV behoren niet de wettelijke bepalingen die de strafbaarstelling voor bepaalde gedragingen uitbreiden, naast diegenen die persoonlijk alle delictsbestanddelen hebben vervuld, tot anderen die op minder directe wijze bij een delict zijn betrokken. Artikel 18 lid 3 onder c van de Uitleveringswet (UW) stelt evenmin die eis. Aan dit oordeel doet niet af dat dergelijke bepalingen veelal wel (ook in uitleveringsverzoeken van Frankrijk) deel uitmaken van de overgelegde wetsbepalingen".

3.3. Ingevolge art. 12, tweede lid onder c, EUV had de verzoekende Staat, gelet op de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, wetsbepalingen moeten overleggen die betrekking hebben op de strafbaarstelling van deelneming in Frankrijk.

De Rechtbank heeft het gevoerde verweer dus op onjuiste grond verworpen. Het middel is derhalve terecht voorgesteld maar kan op grond van het navolgende geen doel treffen.

3.4. De Hoge Raad kan doen hetgeen de Rechtbank had behoren te doen. Bij de beoordeling van de genoegzaamheid van de door de verzoekende staat overgelegde toepasselijke wettelijke bepalingen slaat de Hoge Raad mede acht op het - op verzoek van de waarnemend Advocaat-Generaal door tussenkomst van het Ministerie van Justitie van de Franse autoriteiten ontvangen - afschrift van de art. 121-6 en 121-7 van de Code Pénal die voorzien in de strafbaarstelling van deelneming.

3.5. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft een afschrift van die bepalingen ontvangen en daarop in zijn brief van 28 mei 2001 zijn standpunt kenbaar gemaakt.

3.6. De Hoge Raad oordeelt dat thans voldaan is aan het in art. 12, tweede lid onder c, EUV gestelde vereiste dat de verzoekende staat afschrift overlegt van de toepasselijke wetsbepalingen.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop

de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd brengt het vorenoverwogene mee dat de door de Rechtbank uitgesproken toelaatbaarverklaring van de uitlevering in stand kan blijven en dat moet worden beslist als volgt.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 juli 2001.