Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2936

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
01688/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2936
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 261
Wetboek van Strafvordering 385
Wetboek van Strafvordering 386
Wetboek van Strafvordering 386
Wetboek van Strafvordering 386
Wetboek van Strafvordering 393
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 oktober 2001

Strafkamer

nr. 01688/00

SO/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 28 september 1999, nummer 03/260572-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Maastricht van

5 maart 1999 - de verdachte ter zake van "terwijl hij in staat van dronkenschap verkeert, de orde verstoren" veroordeeld tot een geldboete van éénhonderdvijftig gulden, subsidiair drie dagen hechtenis. Voorts heeft de Rechtbank de proeftijd, bepaald bij het vonnis van de Kantonrechter te Maastricht van 25 september 1998, verlengd met één jaar.

2.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Door of namens deze zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Kantonrechter te Maastricht van 5 maart 1999 is vernietigd, en de zaak zal terugwijzen naar het Kantongerecht te Maastricht opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1. Deze zaak is in eerste aanleg behandeld bij het Kantongerecht te Maastricht op 5 maart 1999 in aanwezigheid van de verdachte.

In aanmerking genomen dat zich bij de stukken van het geding geen inleidende dagvaarding bevindt doch wel een "proces-verbaal, dubbel van de oproeping", inhoudende dat de oproeping voor de zitting van de Kantonrechter van 5 maart 1999 aan de verdachte op 27 december 1998 in persoon is uitgereikt, is de verdachte voor de hiervoor bedoelde terechtzitting van de Kantonrechter opgeroepen op de wijze zoals voorzien in art. 385 Sv.

Het voornoemde "proces-verbaal, dubbel van de oproeping", houdt in als datum en tijdstip waarop de geconstateerde gedraging is verricht: 27 december 1998, 03.55 uur. Als plaats is vermeld: Finestraat te Maastricht. Het gedrag is omschreven als: "in het openbaar in staat van dronkenschap de orde verstoren".

3.2. Indien een verdachte met toepassing van art. 385 e.v. Sv wordt opgeroepen dient de oproeping, ingevolge het bepaalde in art. 386, eerste lid, Sv, te voldoen aan de eisen gesteld in art. 261, eerste lid, Sv met dien verstande dat kan worden volstaan met een korte aanduiding van het feit.

Ingevolge het tweede lid van art. 386 Sv dient deze korte opgave voorafgaand aan de zitting te worden aangevuld of verbeterd terwijl het derde lid van deze bepaling voorschrijft dat deze aanvulling of verbetering aan de verdachte wordt toegezonden.

Voorts bepaalt art. 393, eerste lid, Sv dat het openbaar ministerie bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting de schriftelijke nadere opgave van het tenlastegelegde feit aan de Kantonrechter overlegt en dat de nadere opgave voor wat betreft de grondslag van de verdere vervolging geldt als dagvaarding.

3.3. Gelet op de omschrijving van het feit in het "proces-verbaal, dubbel van de oproeping" is volstaan met een korte aanduiding van het feit, als bedoeld in art. 386, eerste lid, Sv, die op zichzelf niet een voldoende, aan de eisen van art. 261 Sv beantwoordende, opgave van het tenlastegelegde feit behelst.

De aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding houden niets in waaruit kan blijken dat overeenkomstig genoemde bepalingen schriftelijk nadere opgave is gedaan van het tenlastegelegde feit. Gelet daarop is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat het aan de verdachte tenlastegelegde feit genoegzaam is omschreven niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

4.Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad zal de inleidende oproeping nietig verklaren.

5.Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Kantonrechter is vernietigd;

Verklaart de inleidende oproeping nietig.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 2 oktober 2001.