Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2890

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2001
Datum publicatie
19-10-2001
Zaaknummer
36306
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2001/397
FED 2001/577
WFR 2001/1569, 1
V-N 2001/56.7 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.306

6 juni 2001

YS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 juni 2000, nr. 99/00204, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 113.955.

Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 213.955, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100%, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding tot op 50% heeft verleend. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 185.088, en kwijtschelding van de verhoging verleend tot op 25% van het bedrag van de uiteindelijk nagevorderde belasting.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft uitsluitend ten aanzien van de verhoging het beroep gegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag zonder verhoging.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende was in het onderhavige jaar, 1992, tezamen met A en B vennoot in een advocatenmaatschap. De vennoten richtten op 18 september 1989 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D B.V. (hierna: de B.V.) op; zij waren ieder voor een derde aandeelhouder. In het najaar van 1989 is de B.V. - die zich de exploitatie van horeca- en daaraan verwante ondernemingen ten doel stelde - een brasserie gaan exploiteren. De drankvergunning is op naam van de advocatenmaatschap verleend. Blijkens een akte van geldlening van 18 januari 1990 heeft de B.V. ƒ 50.000 te leen ontvangen van H B.V. Belanghebbende heeft zich voor de nakoming van alle door de B.V. uit deze akte voortvloeiende verplichtingen hoofdelijk aansprakelijk gesteld. Door een bank is aan de B.V. een rekening-courantkrediet verstrekt, in verband waarmee de aandeelhouders een kapitaalinstandhoudingsverklaring hebben ondertekend.

Ingevolge voormelde kapitaalinstandhoudingsverklaring heeft de bank de aandeelhouders van de B.V. in de zomer van 1991 in privé aangesproken. Voorts heeft H B.V. terugbetaling gevorderd van ƒ 50.000 door de B.V. en/of belanghebbende op grond van de akte van geldlening. Op 15 augustus 1991 heeft de B.V. de onderneming, bestaande uit goodwill, inventaris en handelsnaam, verkocht voor een koopprijs van ƒ 107.096,80. Op 30 december 1992 is de B.V. op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard.

Blijkens de als bijlage bij het aangiftebiljet gevoegde jaarrekening over 1992 is in de balans van de advocatenmaatschap onder "Overige schulden" een bedrag van ƒ 350.638 gepassiveerd. Blijkens de toelichting maakt daarvan deel uit een "Garantieverplichting" tot een beloop van ƒ 197.000. Voorts blijkt uit de winst- en verliesrekening van de maatschap dat er in 1992 aan "Bijzondere lasten" ƒ 197.000 ten laste van de winst is gebracht.

Naar aanleiding van een ingesteld boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. Hierbij is het op de winst van de maatschap in aftrek gebrachte bedrag van ƒ 197.000 ter zake van de garantievoorziening gecorrigeerd.

3.2. Het Hof heeft bij de beoordeling van de vraag of het ontbreken van een zogenoemd "nieuw feit" als bedoeld in artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan de opgelegde navorderingsaanslag in de weg staat, terecht vooropgesteld dat de inspecteur in het algemeen erop mag vertrouwen dat een aangifte correct is ingevuld en dat alleen indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de juistheid van de op de aangifte vermelde gegevens, de inspecteur een nader onderzoek dient in te stellen.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de hiervóór onder 3.1 omschreven in en bij de aangifte vermelde gegevens niet meebrengen dat de Inspecteur gehouden was een dergelijk onderzoek in te stellen en voorts dat, nu ook overigens de aangifte een goed verzorgde indruk maakte en deze door een gerenommeerd belastingadvieskantoor is ingevuld, niet kan worden geoordeeld dat er twijfel behoorde te zijn omtrent de juistheid van die gegevens. In deze oordelen ligt besloten het oordeel dat de Inspecteur aan de omstandigheid dat een bedrag van ƒ 197.000 ter zake van een garantievoorziening ten laste van de winst van de advocatenmaatschap is gebracht niet een zo sterk vermoeden voor de onjuistheid van de aangifte behoefde te ontlenen dat het nalaten van een onderzoek op dit punt hem als een ambtelijk verzuim kan worden aangerekend. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.

3.4. Het in het middel aangevoerde betoog, dat erop neerkomt dat de Inspecteur reeds bij het vaststellen van de aanslag bekend had moeten zijn met de omstandigheid dat de garantievoorziening respectievelijk de verliesneming van ƒ 197.000 verband hield met de deelneming in een vennootschap die een brasserie dreef, nu de gegevens van de B.V. gelet op de geïntegreerde werkwijze van de belastingdienst voor de Inspecteur beschikbaar moeten zijn geweest, kan niet tot cassatie leiden. De Inspecteur mocht immers in de onderhavige situatie, anders dan in de zaak waarop het arrest Hoge Raad 20 oktober 1999, nr. 34636, BNB 1999/445 betrekking had, uitgaan van de door belanghebbende verstrekte gegevens. Daar deze niet aangaven dat er een verband bestond tussen de garantievoorziening en de verliesneming enerzijds en het belang in de B.V. anderzijds, faalt reeds op die grond het middel.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2001.