Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2809

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
00460/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2809
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 278
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 693
NJ 2003, 632 met annotatie van P. Mevis, R. de Lange
NBSTRAF 2002/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 november 2001

Strafkamer

nr. 00460/00

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 4 november 1999, nummer 21/002564-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 8 december 1998 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 3. "medeplegen van: het door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken van valsheid in geschrift" veroordeeld tot acht maanden en twaalf dagen gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat uitsluitend is gericht tegen de gegeven vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde - is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. Voorts heeft mr. Spong het cassatieberoep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in het ingestelde cassatieberoep en - voorzover van een namens de verdachte ingesteld (incidenteel) cassatieberoep sprake is - tot de niet-ontvankelijkverklaring van het incidenteel beroep.

3. Beoordeling van de namens de verdachte ingediende schrifuur

Uit de stukken van het geding blijkt niet dat door of namens de verdachte beroep in cassatie is ingesteld, ook niet binnen de termijn van art. 433, tweede lid, Sv. Daarom kan de Hoge Raad geen acht slaan op de schriftuur.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.1. Nu het beroep is gericht tegen een vrijspraak moet de Hoge Raad, gezien het eerste lid van art. 430 Sv, allereerst beoordelen of de Advocaat-Generaal bij het Hof in dat beroep kan worden ontvangen. Daartoe dient te worden onderzocht of de gegeven vrijspraak een andere is dan die bedoeld in deze wetsbepaling. Dit brengt mee dat voor het onderhavige geval eerst de vraag moet worden beantwoord of het Hof, door te overwegen en te beslissen als in dit arrest is weergegeven, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en van iets anders heeft vrijgesproken dan was tenlastegelegd.

4.2. Aan de verdachte is tenlastegelegd onder 1 dat:

"hij in of omstreeks de maand augustus 1997, althans op of omstreeks 7 augustus 1997, in de gemeente Enschede en/of Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer en/althans (elders) in Nederland en/of (op een luchthaven) in Brazilië tezamen en in vereniging met (een) ander(en), een meisje, genoemd [het kind] (verondersteld geboren te zijn op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats]) (vanuit Brazilie) over de grenzen van het Rijk in Europa heeft gevoerd met het oogmerk [dat kind] wederrechtelijk onder de macht van een ander, namelijk [betrokkene A] en/of [betrokkene B], te brengen en/of in hulpeloze toestand te verplaatsen, gezien de leeftijd van [dat kind] en/of door [dat kind] met een valse identiteit buiten de officiële adoptieprocedure om in een situatie te brengen waarin een (officiële) status haar ontbreekt/blijft ontbreken;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 278 Wetboek van Strafrecht"

4.3. Het Hof heeft de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe overwogen:

"Ten aanzien van het onder 1. telastegelegde is het hof van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), het kind, genaamd [het kind], over de grenzen van het Rijk in Europa heeft gevoerd.

Blijkens de bij artikel 278 van het Wetboek van Strafrecht behorende Memorie van Toelichting dient onder "over de grenzen van het Rijk in Europa voeren" te worden verstaan "het vanuit Nederland over de grens voeren naar het buitenland".

Hier is echter het omgekeerde geval aan de orde, immers is het kind vanuit Brazilië naar Nederland gebracht.

Aldus redenerend kan niet bewezen worden dat verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), het kind "over de grenzen van het Rijk in Europa heeft gevoerd" in de zin van het bovengenoemde wetsartikel en kan slechts vrijspraak voor dat feit volgen."

4.4. Het gaat - kort samengevat - in deze zaak om een verdachte aan wie wordt verweten dat hij een persoon, te weten een kind van ongeveer één jaar oud, vanuit Brazilië naar Nederland heeft gevoerd met het oogmerk om dat kind buiten de officiële adoptieprocedure onder de macht van een Nederlands echtpaar te brengen.

Aan deze verdachte is tenlastegelegd het misdrijf omschreven in art. 278 Sr dat luidt:

"Hij die iemand over de grenzen van het Rijk in Europa voert, met het oogmerk om hem wederrechtelijk onder de macht van een ander te brengen of om hem in hulpeloze toestand te verplaatsen, wordt, als schuldig aan mensenroof, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie."

4.5. Aan de orde is de vraag of het Hof terecht heeft aangenomen dat onder "over de grenzen van het Rijk in Europa voeren" als bedoeld in dat artikel slechts kan worden begrepen het vanuit Nederland over de grens naar het buitenland voeren.

4.6. De Memorie van Toelichting bij artikel 298 van het Regeringsontwerp voor het Wetboek van Strafrecht (thans art. 278 Sr) houdt onder meer het volgende in:

"Dit misdrijf onderscheidt zich als zwaardere soort van de volgende soorten van vrijheidsberooving door het karakter van meerdere duurzaamheid dat het bezit. Zoolang de weggevoerde zich in Nederland bevindt, is duurzame vrijheidsberooving buiten het geval van opsluiting ondenkbaar, vindt de geroofde in de nederlandsche wet en hare organen overal bescherming en in de taalgemeenschap bovendien het middel om de hulp van anderen in te roepen. Indien de weggevoerde de opsluiting weet te verijdelen of zich in gemeenschap met anderen weet te stellen, is hij in staat zijne vrijheid te hernemen. De wegvoering daarentegen naar het buitenland, buiten het bereik der nederlandsche overheid, te midden van eene bevolking ook door taalverscheidenheid van den weggevoerde gescheiden of in landen waar hetzij bevolking ontbreekt, hetzij van de bevolking geen hulp te wachten is (onbewoonde landen of landen bewoond door onbeschaafde volken of volken, die de persoonlijke onvrijheid erkennen) geeft aan de wegvoering het karakter van duurzame vrijheidsberooving, welke zelfs geene stoffelijke banden of een bepaalde opsluiting vordert voor hare voortduring. Alleen in dat geval kan van eigenlijke menschenroof sprake zijn. Daarbij is het onverschillig, of de wegvoering geschiedt om den weggevoerde tot slavernij te brengen dan wel om hem buitenslands op te sluiten, aan een buitenlandsche overheid of aan de magt van private personen of aan vreemde roovers over te leveren, of hem hulpeloos ergens in den vreemde te verplaatsen."

(H.J. Smidt II, 1881, p. 408)

4.7. De Hoge Raad stelt voorop dat de omschrijving "over de grenzen van het Rijk in Europa voeren" in art. 278 Sr het brengen van mensen vanuit het buitenland naar Nederland niet uitsluit.

Gelet daarop vormt de omstandigheid dat art. 278 Sr bij zijn totstandkoming een toelichting heeft gekregen die slechts aandacht schenkt aan een beperkt soort van gevallen, op zichzelf geen beletsel dat aan de strafbepaling een ruimer toepassingsbereik wordt toegekend dan destijds bij het geven van die toelichting werd voorzien.

4.8. Bij de uitleg van art. 278 Sr moet in het oog worden gehouden dat blijkens de hiervoor onder 4.6 geciteerde passage uit de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel de wetgever als reden voor het apart strafbaar stellen van deze vorm van vrijheidsberoving heeft gewezen op "het karakter van meerdere duurzaamheid dat het bezit". De in de toelichting bij wijze van voorbeeld gegeven uitwerking van duurzame vrijheidsberoving geeft een aanduiding van de voor strafbaarheid vereiste duurzaamheid. Daarbij heeft de wetgever uitgedrukt bij welke mate van duurzaamheid van de vrijheidsberoving sprake zal zijn van mensenroof. Daarmee wordt echter niet uitgesloten dat vrijheidsbeneming met een door de wetgever bedoeld duurzaam karakter zich eveneens kan voordoen in het geval dat degene wiens vrijheid is ontnomen en naar Nederland is gevoerd, zich in Nederland bevindt onder de omstandigheid dat deze niet in staat is de bescherming van de Nederlandse wet en "taalgemeenschap" in te roepen.

4.9. Voorts moet worden onderstreept dat in Nederland, evenals in zeer vele andere landen, het rechtsbeginsel geldt dat aan allen gelijke wettelijke bescherming wordt geboden, waarbij geen plaats is voor het bieden van een grotere mate van bescherming aan personen die zich binnen Nederland bevinden en wederrechtelijk naar het buitenland worden gevoerd dan aan personen die zich buiten Nederland bevinden en wederrechtelijk naar Nederland worden gevoerd.

4.10. Uit de hiervoor onder 4.6 geciteerde passage uit de Memorie van Toelichting blijkt dat bij de wetgever ten tijde van de totstandkoming van art. 278 Sr de bedoeling heeft voorgezeten om een persoon die zich binnen de grenzen van het Rijk in Europa, dus in Nederland, bevindt te beschermen tegen het voeren buiten Nederland met een van de in dat artikel genoemde oogmerken.

Aldus blijkt niet dat de wetgever oog heeft gehad voor de bescherming van personen die zich buiten Nederland bevinden en met een van die oogmerken naar Nederland worden gevoerd. Kennelijk heeft het buiten de voorstelling van de toenmalige wetgever gelegen dat ook die personen speciale bescherming zouden kunnen behoeven.

De omstandigheden en opvattingen die uit de Memorie van Toelichting, als hiervoor geciteerd, naar voren komen en waarvan mag worden aangenomen dat die overeenkomen met die welke in de laatste decennia van de 19de eeuw in Nederland heersten, zijn voor de wetgever leidraad geweest om in die Memorie van Toelichting slechts aan een beperkt toepassingsbereik aandacht te besteden. Als zodanige omstandigheden en opvattingen kunnen worden genoemd de bescherming die een "taalgemeenschap" vermag te bieden en de nadruk waarmee Nederland wordt afgezet tegen "onbeschaafde volken of volken, die de persoonlijke onvrijheid erkennen" en landen waar slavernij heerst of overlevering aan "vreemde roovers" moet worden gevreesd.

De sedert de totstandkoming van de genoemde strafbepaling plaats gehad hebbende ontwikkelingen in omstandigheden en algemeen aanvaarde opvattingen brengen mee dat er thans geen redelijke aanleiding is om bij de toepassing van die bepaling, tegen haar bewoordingen in, onderscheid te maken tussen de te bieden bescherming in de twee zojuist genoemde gevallen.

Deze ontwikkelingen kunnen onder meer als volgt worden geïllustreerd.

Mede als gevolg van een verhoging van het scholings- en opleidingspeil is de kennis van een of meer vreemde talen een meer algemeen voorkomend verschijnsel. Daardoor is het minder gerechtvaardigd om, zoals de Memorie van Toelichting doet, veel nadruk te leggen op de bescherming die men buiten een "taalgemeenschap" behoeft.

In internationaal verband wordt thans gesproken over "de internationale gemeenschap" - een wellicht enigszins vaag doch niettemin in de internationale politiek aanvaard begrip - die gestalte heeft gekregen in internationale organisaties als de Verenigde Naties en andere internationale samenwerkingsvormen zoals op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking. In dat kader ligt het niet voor de hand dat bij het toepassen van een rechtsbeschermende strafmaatregel onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds Nederland en anderzijds "onbewoonde landen of landen bewoond door onbeschaafde volken".

Bereikbaarheid, gemak en omvang van personenvervoer, ook over de landsgrenzen heen, zijn sedert de totstandkoming van art. 278 Sr enorm toegenomen. Hierdoor is de behoefte aan bescherming tegen internationale ontvoering navenant gegroeid, in welke richting dan ook.

4.11. Zoals hiervoor reeds onder 4.7 is vooropgesteld is een breder toepassingsbereik van art. 278 Sr dan in de Memorie van Toelichting aandacht heeft gekregen, niet in strijd met zijn bewoordingen. Hierdoor is het wellicht te verklaren dat de hiervoor onder 4.10 geschetste nationale en internationale ontwikkelingen de wetgever geen aanleiding hebben gegeven om een wijziging van art. 278 Sr tot stand te brengen, waarbij de bestaande tekst immers naar de betekenis van zijn bewoordingen niet gewijzigd zou behoeven te worden. Uit het stilzitten van de wetgever mogen dan ook geen consequenties worden getrokken met betrekking tot de uitleg van dat artikel.

4.12. Aan een en ander moet de gevolgtrekking worden verbonden dat het artikel, in overeenstemming met de huidige juridische en maatschappelijke realiteit, zowel in nationaal als in internationaal opzicht, zo moet worden uitgelegd dat ook het vanuit het buitenland naar Nederland voeren van personen daaronder valt.

4.13. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het Hof is uitgegaan van een verkeerde uitleg van de in de tenlastelegging onder 1 voorkomende woorden "over de grenzen van het Rijk in Europa heeft gevoerd", welke woorden zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 278 Sr en derhalve door de verdachte vrij te spreken van dit onderdeel van de tenlastelegging, hem van iets anders heeft vrijgesproken dan was tenlastegelegd. Het beroep is dus niet gericht tegen een vrijspraak als in art. 430, eerste lid, Sv bedoeld. De Advocaat-Generaal bij het Hof kan derhalve in het beroep worden ontvangen.

5. Beoordeling van het middel van de Advocaat-Generaal bij het Hof

Hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen brengt mee dat het middel gegrond is en dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderwopen;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak op het bestaande beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 november 2001.