Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2803

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
02312/00 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2803
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 717
JM 2002/27 met annotatie van Koopmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 november 2001

Strafkamer

nr. 02312/00 E

KD/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 7 februari 2000, nummer 21/002365-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 2 november 1998 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 7 van de Vogelwet 1936" veroordeeld tot een geldboete van éénduizend gulden, subsidiair twintig dagen hechtenis, waarvan zevenhonderdvijftig gulden, subsidiair vijftien dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voorzover het betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde en de vermelding van de toepasselijke wetsartikelen, deze zal verbeteren en het beroep voor het overige zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel strekt ten betoge dat het op de Vogelwet 1936 berustende Vogelbesluit 1994 (oud) technische voorschriften behelst als bedoeld in Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart l983, betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1983, L 109, blz. 8; hierna: de Notificatierichtlijn).

In het middel wordt aangevoerd dat, nu het ontwerp van het Vogelbesluit 1994, zoals het ten tijde van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit gold, niet overeenkomstig de Notificatierichtlijn was aangemeld bij de Europese Commissie, het Vogelbesluit 1994 (oud) buiten toepassing moet worden gelaten met als gevolg dat de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit niet kan worden veroordeeld.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 9 april 1997, in de gemeente Wehl, 10 vinken (Fringilla coelebs) en 3 goudvinken (Pyrrhula pyrrhulla) en 1 geelgors (Emberiza citrinella), zijnde beschermde vogels als bedoeld in artikel 1 onder ten 2e van de Vogelwet 1936, onder zich heeft gehad."

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd zoals hiervoor onder 1 is weergegeven.

3.3. Het volgende wettelijk kader is in deze zaak van belang.

(i) Art. 7 Vogelwet 1936 luidt:

"Het is verboden beschermde vogels, vogels als bedoeld in artikel 2 of produkten van die vogels onder zich te hebben, te koop te vragen, te kopen, te koop aan te bieden, ten verkoop voorhanden of voorradig te hebben, te verkopen, af te leveren, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, tentoon te stellen of binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen."

(ii) Ingevolge het bepaalde in art. 1 onder 2 Vogelwet 1936 worden onder beschermde vogels verstaan:

"alle vogels, welke behoren tot een der in Europa in het wild levende soorten, met uitzondering van de tamme duiverassen, de tamme knobbelzwanen en de in artikel 2 van de Jachtwet genoemde vogels."

(iii) Art. 12 Vogelwet 1936 houdt in:

"Het bepaalde in de artikelen 7 en 9 is voor wat betreft het onder zich hebben niet van toepassing ten aanzien van vogels behorend tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten cultuurvogels voor zover de houder van de vogels kan aantonen dat de vogels zijn gekweekt, alsmede ten aanzien van eieren of nesten van zodanige vogels. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het onder zich hebben van de in de eerste volzin bedoelde vogels. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op het verstrekken en aanbrengen van ringen of merken aan de vogels en op de registratie van vogels."

(iv) De in art. 12 Vogelwet 1936 bedoelde algemene maatregel van bestuur, het Vogelbesluit 1994 (oud), definieert in art. 1 onder e 'cultuurvogels' als volgt:

"gekweekte vogels behorende tot de soorten, genoemd in art. 3."

Art. 3 van dat besluit noemt onder meer de vinken, geelgorzen en goudvinken als soorten bedoeld in art. 12 Vogelwet 1936.

(v) Art. 7 Vogelbesluit 1994 (oud) bepaalt:

"1. Het onder zich hebben van cultuurvogels is slechts toegestaan indien die vogels zijn voorzien van een door of vanwege Onze Minister op aanvraag afgegeven:

- open pootring als bedoeld in het derde lid

- gesloten pootring als bedoeld in het vierde lid, welke een middellijn heeft, gemeten aan de binnenkant van de ring, onderscheiden naar vogelsoort van ten hoogste:

(...)

- vink: 2,7 mm;

(...)

- geelgors: 2,9 mm;

- goudvink: 2,9 mm;

(...)

3. Een open pootring is zodanig vervaardigd dat deze, nadat hij is gesloten rond de poot van een vogel, niet kan worden verwijderd zonder de ring te breken of te beschadigen of de poot van de vogel te verwonden.

4. Een gesloten pootring is zodanig vervaardigd dat deze niet kan worden verwijderd zonder de ring te breken of te beschadigen of de poot van de vogel te verwonden."

3.4. In het midden kan blijven of het Vogelbesluit 1994 onder het bereik van de Notificatierichtlijn valt. Immers ook al zou dit zo zijn, dan nog bestond er op grond van het navolgende geen mededelingsplicht met betrekking tot dit besluit.

3.5. Overeenkomstig de in de artikelen 8 en 9 van de Notificatierichtlijn neergelegde informatieprocedure zijn de Lid-Staten verplicht elk ontwerp voor een technisch voorschrift onmiddellijk aan de Commissie mede te delen en de goedkeuring daarvan uit te stellen gedurende een bepaalde termijn. In art. 10 van de Notificatierichtlijn wordt daarop een uitzondering gemaakt indien de Lid-Staten met de desbetreffende technische voorschriften voldoen aan verplichtingen van communautaire aard.

Art. 10 van de notificatierichtlijn luidt, na wijziging bij Richtlijn 88/182/EEG:

"De artikelen 8 en 9 zijn niet van toepassing wanneer de Lid-Staten voldoen aan hun verplichtingen die voortvloeien uit communautaire richtlijnen en verordeningen. Dit geldt eveneens voor de verbintenissen die voortvloeien uit een internationale overeenkomst die de aanneming van uniforme technische specificaties in de Gemeenschap tot gevolg hebben."

3.6. De considerans bij het Vogelbesluit 1994 (oud) houdt in dat dit besluit mede strekt tot implementatie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad voor de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb EG nr. L103); verder: de Vogelrichtlijn).

3.7. De considerans bij de Vogelrichtlijn houdt onder meer in:

"Overwegende dat wegens het belang dat bepaalde specifieke situaties kunnen hebben, mogelijkheid tot ontheffing dient te bestaan waarbij door de Commissie toezicht wordt uitgeoefend.

(...)

Overwegende dat de Commissie om de drie jaar een samenvattend verslag opstelt en aan de Lid-Staten toezendt dat is gebaseerd op de aan haar door de Lid-Staten verstrekte inlichtingen over de toepassing van de nationale maatregelen die krachtens deze richtlijn zijn getroffen."

3.8. Art. 1 van de Vogelrichtlijn houdt in:

"1. Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het verdrag van toepassing is (...)"

Art. 5 van de Vogelrichtlijn luidt:

"Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten. Deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:

a) (...)

e) een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen."

Art. 9 van de Vogelrichtlijn, dat de Lid-Staten de mogelijkheid geeft af te wijken van enkele verboden uit de Vogelrichtlijn, luidt:

"1. De Lid-Staten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande

redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8:

a) (...)

c) ten einde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

2. In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld:

- voor welke soorten mag worden afgeweken,

- welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan,

- onder welke voorwaarden met betrekking tot het

risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen,

- welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen,

- welke controles zullen worden uitgevoerd.

3. "De Lid-Staten zenden de Commissie jaarlijks een verslag toe over de toepassing van dit artikel. (...)"

3.9. Met de bepalingen van het Vogelbesluit 1994 (oud) heeft de wetgever aan de uit de Vogelrichtlijn voortvloeiende verplichtingen voldaan, waarbij de wetgever gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot afwijking als bedoeld in art. 9, lid 1 en lid 2, van die richtlijn.

3.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen was, indien er al sprake is van technische voorschriften in de zin van de Notificatierichtlijn, notificatie van het Vogelbesluit 1994 (oud) ingevolge de in art. 10 van de Notificatierichtlijn opgenomen uitzondering niet voorgeschreven.

3.11. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als hiervoor onder 1 is weergegeven.

Het is kennelijk de bedoeling van de wetgever geweest om in art. 7 Vogelwet 1936 ook het onder zich hebben van één exemplaar van de beschermde vogels met straf te bedreigen (vgl. HR 8 juli 1994, NJ 1994, 758). Gelet hierop dient

de kwalificatie te luiden:

"Overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 7 van de Vogelwet 1936, veertien maal gepleegd."

De door het Hof gegeven kwalificatie dient derhalve in die zin verbeterd te worden. De Hoge Raad laat vernietiging voor wat de strafoplegging betreft achterwege omdat de verdachte bij zodanige vernietiging geen belang heeft.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde;

Kwalificeert het bewezenverklaarde zoals hiervoor onder 4 weergegeven;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 november 2001.