Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2800

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2001
Datum publicatie
10-10-2001
Zaaknummer
01931/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2800
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 588, geldigheid: 2001-10-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 546

Uitspraak

9 oktober 2001

Strafkamer

nr. 01931/99

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 28 december 1998, nummer 21/001791-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 16 oktober 1996 - de verdachte ter zake van "verduistering" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf en is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.M.J. Lanting, advocaat te Deventer, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De benadeelde partij heeft een geschrift ingediend dat evenwel niet als een schriftuur houdende een middel van cassatie kan worden aangemerkt.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman van de verdachte op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten de dagvaarding in hoger beroep nietig te verklaren, nu deze is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem, terwijl zij op grond van art. 588, derde lid aanhef en onder c, Sv uitgereikt had dienen te worden aan de griffier van de rechtbank "waar de zaak laatstelijk heeft gediend", te weten de Rechtbank te Zutphen, die de zaak in eerste aanleg heeft behandeld.

3.2. Art. 588, derde lid, Sv luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1º of 2º,

(...)

c. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend (. . .)".

3.3. Genoemd voorschrift is ingevoerd bij de Wet van 7 juli 1994, Stb. 565. De tekst daarvan is ontleend aan het voordien geldende art. 588, vierde lid, Sv, vastgesteld bij de Wet van 24 april 1985, Stb. 236.

De Memorie van Toelichting bij deze laatste bepaling houdt onder meer het volgende in:

"In het nieuwe vierde lid van artikel 588 wordt gesproken van de griffie van de rechtbank. Beoogd is namelijk de betekeningen bij één griffie te concentreren in plaats van die over de griffies van verschillende rechterlijke colleges binnen hetzelfde arrondissement te verspreiden. Dit is voor die andere gerechten (kantongerechten, militaire gerechten, hoven en Hoge Raad) ook verreweg het eenvoudigste". (Kamerstukken II 1983-1984, 18 324, nr. 3, p. 16)

3.4. Mede gelet op de wetsgeschiedenis moet art. 588, derde lid aanhef en onder c, Sv aldus worden verstaan dat in de daar vermelde gevallen de uitreiking van de appèldagvaarding dient te geschieden aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de zaak in hoger beroep zal dienen.

3.5. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof, waarvan de zetel is gevestigd te Arnhem, dat de appèldagvaarding geldig is betekend, aangezien zij op de voet van genoemde wetsbepaling is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de Rechtbank te Arnhem, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting.

3.6. Het middel, dat uitgaat van een verkeerde uitleg van genoemde wetsbepaling, faalt dus.

4.Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 oktober 2001.