Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2795

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
07-12-2001
Zaaknummer
C99/345HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2795
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 732
NJ 2002, 576 met annotatie van J.B.M. Vranken
RvdW 2001, 199
AV&S 2002, p. 90 met annotatie van W.H. van Boom
JWB 2001/345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 december 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/345HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE GEMEENTE LEEUWARDEN, gevestigd te Leeuwarden,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 30 mei 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Gemeente - gedagvaard voor het Kantongerecht te Leeuwarden en gevorderd de Gemeente te veroordelen aan [verweerder] te voldoen de somma van ƒ 997.867,--, zijnde het totale bedrag van de door [verweerder] geleden schade als gespecificeerd omschreven in de bij dat exploit betekende schadestaat, althans het bedrag der posten afzonderlijk toe te wijzen, zodra zij zijn komen vast te staan, te vermeerderen met de daarop vallende b.t.w., alsmede de wettelijke rente vanaf 1 januari 1994.

De Gemeente heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 6 januari 1998 de primaire vordering toegewezen tot een bedrag van ƒ 909.775,--, te vermeerderen met de wettelijke rente als gevorderd.

Tegen dit vonnis heeft de Gemeente hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Leeuwarden.

Bij tussenvonnis van 4 augustus 1999 heeft de Rechtbank - alvorens nader te beslissen omtrent de naar voren gebrachte grieven - een inlichtingencomparitie gelast.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal jhr. mr. J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis.

De advocaat van de Gemeente heeft bij brief van 28 juni 2001 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Met ingang van 1 maart 1983 heeft [verweerder] een aantal horecaruimten in de Frieslandhallen gehuurd van de Gemeente. Op 6 mei 1992 heeft de Gemeente de huur opgezegd op de grond dat zij de exploitatie van het gehuurde zelf ter hand wilde nemen. In de daarop gevolgde procedure heeft de Kantonrechter te Leeuwarden op vordering van de Gemeente het tijdstip van de beëindiging van de huur en de ontruiming vastgesteld op 1 januari 1994. Dit vonnis is door de Rechtbank te Leeuwarden bekrachtigd. [Verweerder] heeft het gehuurde op 1 januari 1994 ontruimd.

(ii) De Gemeente heeft het huurobject niet zelf in gebruik genomen. Op de grond dat bij de Gemeente de wil om het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7A:1624 BW in werkelijkheid niet aanwezig is geweest (artikel 7A:1631a lid 4 BW), heeft [verweerder] daarop een vordering ingesteld om voor recht te verklaren dat de Gemeente aansprakelijk is voor de door [verweerder] geleden schade tengevolge van de be- eindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet. De Kantonrechter te Leeuwarden heeft die vordering bij verstekvonnis van 7 januari 1997 toegewezen. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

(iii) In de nacht van 25 op 26 november 1996 zijn de Frieslandhallen geheel afgebrand. Deze brand is aange- stoken door enkele minderjarige jongens.

3.2 In de onderhavige schadestaatprocedure vordert [verweerder] hem de schade overeenkomstig het verstekvonnis van 7 januari 1997 te vergoeden. De Kantonrechter heeft die vordering tot een bedrag van ƒ 909.775,-- toegewezen. Op het door de Gemeente ingestelde hoger beroep heeft de Rechtbank in het in cassatie bestreden vonnis een aantal verweren van de Gemeente tegen [verweerders] vordering verworpen en een inlichtingencomparitie bepaald. De Rechtbank heeft onder meer de stelling van de Gemeente verworpen dat zij niet gebonden zou zijn aan het verstekvonnis. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.

3.3 De door [verweerder] gestelde schade bestaat in hoofdzaak uit gederfde winst over de periode vanaf 1 januari 1994 (het tijdstip van de ontruiming) tot en met het jaar 2004, in welk jaar [verweerder] 65 zou worden. De Gemeente heeft aangevoerd dat de huurovereenkomst tengevolge van de brand op 25/26 november 1996 op grond van artikel 7A:1589 BW hoe dan ook zou zijn geëindigd, zodat [verweerder] vanaf dat moment geen inkomsten uit zijn bedrijf zou hebben gehad. De Rechtbank heeft dat verweer verworpen op grond van de overweging dat geen oorzakelijk verband bestaat tussen de brand en de door [verweerder] geleden schade, omdat hij "in 1996 door toedoen van de Gemeente geen huurder meer (was), zodat de brand (voor de schadelijke (inkomens)gevolgen waarvan hij zich als huurder eventueel had kunnen verzekeren) hem niet heeft getroffen". Het eerste middel bestrijdt deze overweging met rechts- en motiveringsklachten.

3.4 Indien zich na een schadeveroorzakende gebeurtenis waarvoor iemand aansprakelijk is jegens de benadeelde, een latere gebeurtenis voordoet die dezelfde schade zou hebben veroorzaakt als die schade niet reeds was ontstaan, doet dat niet af aan de reeds gevestigde verplichting tot schadevergoeding van de voor de eerste gebeurtenis aansprakelijke. Behalve in gevallen waarin de latere gebeurtenis voor risico van de benadeelde komt (vgl. HR 2 februari 1990, nr. 13789, NJ 1991, 292), bestaat er geen grond daarover anders te oordelen indien het gaat om voortdurende schade, zoals de winstderving waarvan in deze zaak vergoeding gevorderd wordt. Ook geldt hetzelfde in gevallen waarin de schade voor het vervolg niet slechts hypothetisch maar in werkelijkheid - al dan niet mede - veroorzaakt is door de handeling van de derde. Ook dan verdient het immers de voorkeur dat de benadeelde, overeenkomstig de in artikel 6:102 BW neergelegde regel, slechts de veroorzaker van de eerste gebeurtenis behoeft aan te spreken en niet het risico behoeft te lopen dat de veroorzaker van de latere gebeurtenis geen verhaal biedt of zelfs niet jegens hem aansprakelijk is.

3.5 De brand waardoor het eerder door [verweerder] gehuurde teniet is gegaan, is veroorzaakt door derden. Wat de vraag betreft of hier sprake is van een omstandigheid die voor risico van [verweerder] komt, geldt het volgende. Bij de vaststelling van de omvang van de schade moet een vergelijking worden gemaakt met de toestand zoals die zonder de huuropzegging zou zijn geweest. In die (hypothetische) situatie, waarin de huurverhouding ten tijde van de brand nog zou hebben bestaan, zou het tenietgaan van het gehuurde in de contractuele verhouding tussen partijen in die zin voor rekening van [verweerder] zijn gekomen dat de Gemeente dientengevolge krachtens artikel 7A:1589 BW zou zijn bevrijd van haar verplichting het huurobject aan hem ter beschikking te stellen. Dat op zichzelf rechtvaardigt echter niet ook in de hier na het einde van de huur door de opzegging van de Gemeente ontstane situatie het tenietgaan door brand van het vroeger door [verweerder] gehuurde, waarover hij geen enkele zeggenschap meer had, aan hem toe te rekenen. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat andere feiten of omstandigheden, die dat wel zouden kunnen rechtvaardigen, zijn aangevoerd.

3.6 Het in 3.4 en 3.5 overwogene brengt mee dat het tenietgaan van het eerder door [verweerder] gehuurde door de brand van 25/26 november 1996 niet afdoet aan de aansprakelijkheid van de Gemeente jegens [verweerder] voor de gehele schade over de periode 1994-2000. Daaraan staat niet in de weg dat de brand zich ten tijde van de vaststelling van de omvang van de schade reeds had voorgedaan, zodat geen sprake was van afweging van goede en kwade kansen in de zin van art. 6:105 BW, maar van een zekere gebeurtenis, waarmee bij de in 3.5 bedoelde vergelijking met het oog op de schadeberekening in beginsel rekening moet worden gehouden. Dat rekening houden dient immers met inachtneming van de in 3.4 en 3.5 vermelde regels te geschieden.

3.7 Voorzover het middel aanvoert dat de Rechtbank, door in haar overwegingen te betrekken dat [verweerder] zich voor de schadelijke gevolgen van de brand als huurder eventueel had kunnen verzekeren, in strijd met artikel 48 en/of 176 Rv. de feitelijke gronden van de vordering van [verweerder] heeft aangevuld, faalt het bij gebrek aan belang omdat het zich in zoverre richt tegen een ten overvloede gegeven overweging.

3.8 Uit het vorenstaande volgt dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden.

3.9 Middel II bestrijdt het oordeel van de Rechtbank dat tegen de door de Kantonrechter aangenomen schadebedragen van ƒ 34.679,-- en ƒ 3.923,-- ter zake van verlies, vervroegd afgestoten investeringen en terugbetaalde WIR- en investeringsaftrek geen grieven zijn ontwikkeld, zodat deze bij de vaststelling van de schadeloosstelling kunnen worden gehandhaafd. Dit middel slaagt op grond van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal Huydecoper onder 26 uiteengezette redenen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 4 augustus 1999;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing, en

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op ƒ 9.594,64 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 december 2001.