Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2782

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-07-2001
Datum publicatie
24-07-2001
Zaaknummer
36436
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2002, 21408
BNB 2001/348
FED 2001/505
V-N 2001/41.5 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1450
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.436

24 juli 2001

JV

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 7 juli 2000, nr. 280/98, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f a,--.

Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f b,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende oefent in maatschapsverband het beroep van huisarts uit. Belanghebbende is voorzitter van de Districts Huisartsen Vereniging Q (hierna: de DHV). In die hoedanigheid is hij lid van het centraal bestuur van de Landelijke Huisartsenvereniging (hierna: de LHV) en van het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Geneeskunde (hierna: de KNMG).

Slechts huisartsen kunnen tot bestuurslid van de DHV en de LHV worden benoemd.

In 1994 heeft belanghebbende van de DHV, de LHV en de KNMG reis- en onkostenvergoedingen en vacatiegelden ontvangen.

Deze gelden zijn krachtens het maatschapscontract niet tot de maatschapsinkomsten gerekend.

De Inspecteur heeft bij de vaststelling van de onderwerpelijke navorderingsaanslag, voorzover in cassatie van belang, ter zake van bovengenoemde vergoedingen een bedrag van ƒ c,-- tot belanghebbendes winst uit onderneming gerekend, alsmede deze winst verhoogd met een bedrag van ƒ d,-- wegens zijns inziens ten onrechte verleende aftrek van het arbeidskostenforfait.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, nu het zijn van huisarts een voorwaarde is voor het lidmaatschap en voor het deel uitmaken van het bestuur van de DHV en de LHV, en de verenigingen (mede) tot doel hebben de belangenbehartiging van de beroepsgroep, zodat het lidmaatschap en daarmee het bestuurslidmaatschap in het belang is van belanghebbendes onderneming, belanghebbendes bestuursactiviteiten zo nauw verbonden zijn met zijn onderneming, dat de daaruit voortvloeiende voordelen moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming.

3.3. Het middel, dat zich richt tegen 's Hofs hiervóór in 3.2 weergegeven oordeel, slaagt. Voor toerekening van de door belanghebbende als bestuurder van de DHV, de LHV en de KNMG genoten kostenvergoedingen aan de door hem als huisarts gedreven onderneming is vereist dat tussen de door hem als bestuurder van genoemde verenigingen verrichte werkzaamheden en zijn beroepsmatige werkzaamheden als huisarts een nauwe samenhang bestaat. De omstandigheid dat uitsluitend huisartsen kunnen worden benoemd tot bestuurslid van de DHV en de LHV, en de omstandigheid dat genoemde verenigingen (mede) tot doel hebben de belangenbehartiging van de beroepsgroep als zodanig, zijn onvoldoende om een nauwe samenhang aan te nemen. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijken geen andere omstandigheden op grond waarvan een zodanige samenhang zou kunnen worden aangenomen.

3.4. Uit het hiervóór in 3.3 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ e,--

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 80, derhalve in totaal ƒ 240,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1420 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1775 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2001.