Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2775

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2001
Datum publicatie
29-10-2001
Zaaknummer
C99/369HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2775
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 571
NJ 2002, 216
RvdW 2001, 169
VR 2002, 13
JWB 2001/269

Uitspraak

26 oktober 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/369HR

CP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[Verweerster], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. G.C. Makkink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 4 oktober 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en een vordering ingesteld tegen [verweerster] tot betaling aan hem van ƒ 134.921,26.

[Verweerster] heeft deze vordering, die in cassatie geen rol meer speelt, bestreden en harerzijds tegen [eiser] een tegenvordering ingesteld, welke vordering - voor zover in cassatie van belang - strekte tot betaling van de somma van ƒ 125.996,76 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Na een tussenvonnis van 2 mei 1997 heeft de Rechtbank bij vonnis van 29 augustus 1997 in reconventie [eiser] veroordeeld om aan [verweerster] te betalen de somma van ƒ 82.981,96, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 januari 1996, tot aan de dag der voldoening.

Tegen beide vonnissen van de Rechtbank heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Verweerster] heeft incidenteel appel ingesteld.

Bij arrest van 31 augustus 1999 heeft het Hof in reconventie de vonnissen waarvan beroep vernietigd, voor zoveel betreft de omvang van de te vergoeden schade, en in zoverre opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van het bedrag van ƒ 100.000,-- met de wettelijke rente hierover met ingang van de dag van de conclusie van eis in reconventie tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige heeft het Hof de vonnissen bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal A.S. Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

Partijen zijn op 21 augustus 1986 met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 24 februari 1995 ontbonden door inschrijving van de desbetreffende echtscheidingsbeschikking. Op 18 februari 1995 heeft [eiser] het toen zevenjarige kind van partijen, [het kind], gedood. [Eiser] is bij arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 1 maart 1996 te dier zake wegens doodslag veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf en t.b.s.

In de onderhavige procedure zijn een aantal vermogensrechtelijke geschillen tussen partijen aan de orde geweest. In cassatie is daarvan nog van belang de in reconventie door [verweerster] tegen [eiser] ingestelde vordering wegens door haar geleden immateriële schade tengevolge van de door [eiser] gepleegde daad.

3.2 De Rechtbank (tot een bedrag van ƒ 70.000,--) en ook het Hof (tot het gevorderde bedrag van ƒ 100.000,--) hebben de vordering ter zake van immateriële schade toegewezen.

De Rechtbank heeft, verwijzend naar een op de computer van [eiser] aangetroffen brief en de inhoud van diens verklaring bij de politie, geoordeeld dat [eiser] als gevolg van, althans in verband met, de omstandigheid dat hij door [verweerster] was afgewezen of gekrenkt, met het oogmerk [het kind] aan [verweerster] te ontnemen tot zijn handelen is gekomen. De Rechtbank heeft daaruit de conclusie getrokken dat [eiser] heeft gehandeld met het oogmerk om [verweerster] niet in vermogensschade uit te drukken nadeel toe te brengen. Zij heeft geoordeeld dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade kan worden toegekend, nu het handelen van [eiser] een handelen oplevert als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, BW.

Het Hof heeft het oordeel van de Rechtbank voorzover het de grond voor de verplichting tot vergoeding van de door [verweerster] gestelde immateriële schade door [eiser] betreft, onderschreven, waartoe het heeft overwogen:

"4.5.1 (...…) De rechtbank heeft die aansprakelijkheid van [eiser] aangenomen op grond van art. 6:106, lid 1 aanhef en sub a BW. (…...)

4.5.2 Het Hof deelt de opvatting van de rechtbank terzake en overweegt hierbij het volgende. (...…) Onder deze omstandigheden en bij het ontbreken van enige andere plausibele verklaring voor dit handelen aanvaardt ook het hof dat dit handelen gericht was tegen [verweerster] en dat [eiser] bij dit doden - in de woorden van art. 6:106 BW - het oogmerk had nadeel, dat niet in vermogensschade bestaat, i.e. leed aan [verweerster] toe te brengen. [Eiser] is daarom terzake jegens [verweerster] aansprakelijk. (…...)"

3.3.1 Onderdeel 1 betoogt dat voormeld oordeel van het Hof onjuist is, omdat de wetgever ervoor heeft gekozen aan nabestaanden geen recht op vergoeding van immateriële schade veroorzaakt door het overlijden van een dierbare toe te kennen. Het onderdeel wijst daarbij erop dat in art. 6:108 BW limitatief is opgesomd welke personen een vorderingsrecht toekomt en van welke schade vergoeding kan worden gevorderd ingeval van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Immateriële schade hoort daar niet bij; ook het bestaan van de regel neergelegd in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, kan daarin geen verandering brengen, aldus - samengevat weergegeven - het onderdeel.

3.3.2 Het onderdeel faalt. Art. 6:95 BW bepaalt dat schade die bestaat in ander nadeel dan vermogensschade slechts kan worden vergoed voorzover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. In art. 6:106 BW is vervolgens aangegeven in welke gevallen een recht op vergoeding van immateriële schade bestaat. Het Hof heeft geoordeeld - welk oordeel naar uit het hierna overwogene zal blijken in cassatie tevergeefs wordt bestreden - dat [eiser] bij de door hem gepleegde daad het oogmerk had nadeel dat niet in vermogensschade bestaat toe te brengen aan [verweerster]. Op deze situatie is art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a BW, direct van toepassing. Blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming strekt deze bepaling in het bijzonder ertoe het geschokte rechtsgevoel te bevredigen. Daarbij is bijvoorbeeld gedacht aan het beschadigen of vernielen van een zaak met het oogmerk daarmee immateriële schade toe te brengen (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 380). Eens te meer zal dan ook in een geval als het onderhavige dienen te gelden dat aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat.

Anders dan het onderdeel betoogt, staat het stelsel van de wet, en met name art. 6:108, niet in de weg aan vergoeding van immateriële schade indien de dader iemand heeft gedood met het oogmerk aan een ander, de benadeelde, zodanige schade toe te brengen.

Voor de toepassing van art. 6:108 doet niet terzake of het doden van het slachtoffer alleen jegens deze of mede jegens anderen onrechtmatig is. In beide gevallen kunnen alleen de in deze bepaling genoemden aanspraak maken op vergoeding van schade, en wel enkel de materiële schade die bestaat in het derven van levensonderhoud. Art. 6:95 staat eraan in de weg dat op grond van art. 6:108 immateriële schadevergoeding wordt gevorderd.

Dit neemt evenwel niet weg dat een aanspraak op vergoeding van immateriële schade wel kan bestaan, indien voldaan is aan het in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, neergelegde vereiste dat het oogmerk heeft bestaan immateriële schade toe te brengen, en, gelet op art. 6:95, aan het vereiste dat, voorzover hier van belang, het doden van het slachtoffer een onrechtmatige daad jegens de benadeelde oplevert. Art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, en art. 6:108 bestrijken derhalve van elkaar te onderscheiden (categorieën van) gevallen, met dien verstande dat zich gevallen kunnen voordoen waarin beide regelingen van toepassing zijn.

3.4 Onderdeel 2.a klaagt dat het Hof met zijn oordeel dat [eiser] het oogmerk had [verweerster] immateriële schade toe te brengen, uit het oog heeft verloren dat het oogmerk ten tijde van zijn handelen aanwezig moest zijn. Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Uit hetgeen het Hof in rov. 4.5.2 van zijn arrest heeft overwogen, met name met betrekking tot het verband tussen de daad van [eiser] en de weigering van [verweerster], volgt dat het Hof inderdaad de vraag onder ogen heeft gezien of [eiser] ten tijde van zijn handelen het oogmerk had [verweerster] immateriële schade toe te brengen. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Hetgeen het daartoe heeft overwogen is niet onbegrijpelijk en alleszins voldoende gemotiveerd.

Onderdeel 2.b is derhalve eveneens tevergeefs voorgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 1.952,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 oktober 2001.