Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2771

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-07-2001
Datum publicatie
24-07-2001
Zaaknummer
36149
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2001/454
BNB 2001/337
WFR 2001/1075, 1
V-N 2001/42.22 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.149

24 juli 2001

JV

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 24 maart 2000, nr. 1271/98, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de overschotheffing.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een naheffingsaanslag in de overschotheffing opgelegd ten bedrage van ƒ 3180 zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van het bureau heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te Q (hierna: de Inspecteur) is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Minister) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie is nog slechts in geschil of belanghebbende aanspraak kan maken op toepassing van het gereduceerde tarief, bedoeld in artikel 3 van de Regeling differentiatie overschotheffing II. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord, omdat dat tarief volgens artikel 6a van die regeling slechts kan worden toegepast als de afzet van dierlijke meststoffen blijkt uit volledig en tijdig ingezonden afleveringsbewijzen als bedoeld in artikel 8 van het Besluit mestbank en mestboekhouding, en tussen partijen voor het Hof niet in geschil was, dat belanghebbende over het onderhavige jaar geen afleveringsbewijzen had ingestuurd.

3.2. Uitgaande van die laatste vaststelling, die in cassatie niet wordt betwist, heeft het Hof, gelet op het bepaalde in het voormelde artikel 6a, terecht toepassing van het gereduceerde tarief afgewezen. De klachten van belanghebbende, die zijn gericht tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op toepassing van dat gereduceerde tarief, falen derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2001.