Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2754

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-11-2001
Datum publicatie
12-11-2001
Zaaknummer
C00/054HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2754
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 101a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 407
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 649
JWB 2001/295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 november 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/054HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.W. Bogaardt,

t e g e n

WONINGBOUWVERENIGING ST. WILLIBRORDUS, gevestigd te Wassenaar,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de woningbouwvereniging - heeft bij exploit van 4 februari 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Kantonrechter te 's-Gravenhage en gevorderd om:

primair:

- [eiser] te veroordelen om binnen 10 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de door hem aangebrachte parkeervoorziening in de voor- en zijtuin van de door hem gehuurde woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] te verwijderen en verwijderd te houden en voormelde tuin conform de bestemming als tuin in te richten en als zodanig te onderhouden, met machtiging van de woningbouwvereniging om deze voorzieningen op kosten van [eiser] zelf te laten uitvoeren, indien [eiser] in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen;

- subsidiair

[eiser] te veroordelen tot een verbod om zijn c.q. andermans auto's te parkeren dan wel te stallen in de voormelde tuin, onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 100,-- per keer, bij overtreding van het gevraagde verbod.

Tegen [eiser] is verstek verleend.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 18 februari 1997 de primaire vordering van de woningbouwvereniging toegewezen.

Tegen dit vonnis is [eiser] bij exploit van 2 april 1997 in verzet gekomen.

Bij vonnis van 4 september 1997 heeft de Kantonrechter het vonnis van 18 februari 1997 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de bij inleidende dagvaarding primair en subsidiair gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft de woningbouwvereniging hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage.

Na een tussenvonnis van 30 september 1998 heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 31 maart 1999 [eiser] tot bewijslevering toegelaten en iedere verdere beslissing aangehouden. Na getuigenverhoor heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 29 september 1999, het tussenvonnis van de Kantonrechter van 4 september 1997 vernietigd en het eindvonnis van 18 februari 1997 vernietigd, behalve ten aanzien van de kostenveroordeling. Opnieuw rechtdoende heeft de Rechtbank voorts de subsidiaire vordering van de woningbouwvereniging toegewezen en het meer of anders gevorderde afgewezen.

De vonnissen van de Rechtbank van 31 maart 1999 en 29 september 1999 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het tussenvonnis van de Rechtbank van 31 maart 1999 en 29 september 1999 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De woningbouwvereniging heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met toepassing van art. 101a RO en met veroordeling van [eiser] in de kosten.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de woningbouwvereniging begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 november 2001.