Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2753

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
05-11-2001
Zaaknummer
C00/020HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2753
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 604
NJ 2001, 668
RvdW 2001, 173
Ondernemingsrecht 2002, 8 met annotatie van S. Sikkink
JWB 2001/281
JAR 2001/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 november 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/020HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven,

t e g e n

de stichting STICHTING HOGESCHOOL ROTTERDAM EN OMSTREKEN, gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Hogeschool - heeft bij exploit van 23 augustus 1994 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor het Kantongerecht te Rotterdam en gevorderd:

1. [Eiser] te veroordelen binnen tien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan de Hogeschool een opgave te verstrekken van zijn als voorzitter van het openbaar lichaam ter voorbereiding van de instelling van het Zuidelijk Utrechts Waterschap genoten inkomsten gedurende de periode 1 juli 1991 tot 1 januari 1994, zulks gestaafd door loonopgaves en jaaroverzichten en zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000,-- voor elke dag dat [eiser] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

2. Primair:

[Eiser] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Hogeschool te betalen de gedurende zijn dienstverband bij de Hogeschool ontvangen gelden uit hoofde van zijn functie als voorzitter van het openbaar lichaam als onder 1 bedoeld, e.e.a. conform de onder 1 bedoelde opgave en te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaal vanaf 20 juni 1994 tot aan de dag der algehele voldoening;

Subsidiair:

De gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het door [eiser] veroorzaakte nadeel wijzigt op basis van art. 6:228 jo. 6:230 lid 2 BW in die zin dat [eiser] wordt veroordeeld zijn inkomsten uit nevenarbeid uit hoofde van zijn functie als voor-zitter van het openbaar lichaam als onder 1 bedoeld aan de Hogeschool af te dragen, welke inkomsten aan de hand van de onder 1 bedoelde opgave door de Hogeschool worden vastgesteld en door [eiser] aan de Hogeschool dienen te worden betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dezer dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

Meer subsidiair:

De gevolgen van de overeenkomst op grond van voornoemde onvoorziende omstandigheid wijzigt op basis van art. 6:258 BW in die zin dat de Hogeschool slechts gehouden is de door gedaagde vanaf 1 juli 1991 tot en met 31 december 1993 genoten neveninkomsten te suppleren tot het door haar uit hoofde van de arbeidsovereenkomst aan [eiser] verschuldigde salaris met bijbehorende emolumenten, met veroordeling van [eiser] het aldus teveel door hem genotene aan de Hogeschool terug te betalen, welk bedrag aan de hand van de onder 1 bedoelde opgave door de Hogeschool wordt vastgesteld en door [eiser] aan de Hogeschool dient te worden teruggestort vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dezer dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

3. [Eiser] te veroordelen om aan de Hogeschool ten titel van vermogensschade als bedoeld in art. 6:96 lid 2 c BW te betalen een bedrag gelijk aan 15% van het conform dit vonnis primair, subsidiair, of meer subsidiair te betalen bedrag.

[Eiser] heeft de vordering bestreden en een vordering in reconventie ingesteld die in cassatie niet meer terzake doet.

Na een bevoegdheidsincident dat in cassatie niet meer van belang is, heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 3 mei 1995 de procedure naar de rol verwezen voor het nemen van een nadere conclusie in conventie aan de zijde van de Hogeschool.

De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 26 juli 1995 [eiser] opgedragen om uiterlijk voor 30 september 1995 aan de Hogeschool opgave te verstrekken van zijn in het kader van zijn aanstelling op 28 augustus 1991 als voorzitter van het Samenwerkingsverband ZUW gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, althans in de periode tot 1 augustus 1993, genoten inkomsten, een en ander gestaafd door loonopgaves en jaaroverzichten en heeft de procedure aangehouden alsmede bepaald dat van dit vonnis eerst na het eindvonnis kan worden geappelleerd.

Tegen deze tussenvonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam.

Bij vonnis van 12 september 1996 heeft de Rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

Bij tussenvonnis van 22 januari 1997 heeft de Kantonrechter [eiser] veroordeeld binnen één maand na de betekening van dit vonnis aan de Hogeschool opgave te verstrekken van zijn in het kader van zijn aanstelling op 28 augustus 1991 als voorzitter van het Samenwerkingsverband ZUW gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst tussen partijen in de periode vanaf 28 augustus 1991 tot en met 31 december 1993 genoten inkomsten, een en ander gestaafd door loonopgaves en jaaroverzichten, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 500,-- voor iedere dag dat [eiser] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen en heeft de beoordeling voor het overige aangehouden alsmede bepaald dat van dit vonnis eerst na het eindvonnis kan worden geappelleerd.

Tegen dit tussenvonnis en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam.

Bij vonnis van 16 april 1998 heeft de Rechtbank rechtdoende in hoger beroep de vonnissen van de Kantonrechter te Rotterdam van 3 mei 1995 en 26 juli 1995 bekrachtigd en het vonnis van 22 januari 1997 vernietigd, doch slechts voorzover [eiser] daarin is veroordeeld om aan de Hogeschool opgave te verstrekken van zijn tot en met 31 december 1993 genoten neveninkomsten en, in zoverre opnieuw rechtdoende, bepaald dat [eiser] de bedoelde opgave slechts behoeft te doen tot en met 31 juli 1993 en bekrachtigd het vonnis van 22 januari 1997 voor het overige.

Bij vonnis van 12 augustus 1998 heeft de Kantonrechter [eiser] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Hogeschool te betalen een bedrag van ƒ 177.633,76 bruto, terzake van in de periode van 28 augustus 1991 tot en met 31 juli 1993 uit hoofde van zijn functie als voorzitter van het Openbaar Lichaam ter voorbereiding van de instelling van het Zuidelijk Utrechtse Waterschap genoten inkomsten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan die der algehele voldoening.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 23 september 1999 het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Hogeschool heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing van de zaak naar het Hof te 's-Gravenhage.

De advocaat van de Hogeschool heeft bij brief van 9 juli 2001 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is met ingang van 1 januari 1988 aangesteld als voorzitter van het College van Bestuur van de Hogeschool. Op de arbeidsovereenkomst van partijen was tot 1 augustus 1993 van toepassing het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO), voorzover daarvan in de arbeidsovereenkomst niet uitdrukkelijk was afgeweken. Art. I-Q512 - per 1 augustus 1992 omgenummerd tot I-P54 - luidde:

"De belanghebbende is verplicht eventuele geldelijke vergoedingen voor nevenwerkzaamheden af te dragen aan de instelling voorzover hij deze verricht gedurende werktijd en voorzover het bevoegd gezag hem niet van deze verplichting ontheffing heeft verleend."

(ii) In de loop der tijd zijn tussen [eiser] en de Hogeschool problemen ontstaan. Vanaf eind 1990 hebben [eiser] en de Hogeschool met elkaar overleg gevoerd over een oplossing van hun geschillen.

(iii) In februari 1991 hebben partijen overeenstemming bereikt over de uitgangspunten van een - nog te treffen - regeling. Deze uitgangspunten waren de volgende:

- [eiser] zou aan het eind van dat cursusjaar vrijwillig terugtreden als voorzitter;

- om [eiser] in aanmerking te laten komen voor de VUT-regeling zou hem eerst per 1 januari 1994 eervol ontslag worden verleend;

- tussen 1 augustus 1991 en het ingaan van de VUT-regeling zou [eiser] de functie van adviseur bekleden;

- tot 1 januari 1994 zou aan [eiser] zijn volledige salaris met emolumenten worden uitbetaald alsook het vakantiegeld en de algemene loonaanpassingen conform het Rechtspositiebesluit HBO;

- de Hogeschool zou [eiser] een VUT-percentage van 80% garanderen;

- de Hogeschool zou aan [eiser] een nog nader vast te stellen bedrag terzake van pensioenschade uitkeren.

(iv) Nadat partijen het eens waren geworden over het bedrag van de pensioenschade is op 23 februari 1992 een beëindigingsovereenkomst getekend, waarin de hierboven omschreven uitgangspunten zijn neergelegd.

(v) [Eiser] had inmiddels per 1 juni 1991 zijn taken als voorzitter neergelegd.

(vi) Eind augustus 1991 is [eiser] gekozen tot voorzitter van het Samenwerkingsverband Zuidelijk Utrechts Waterschap (ZUW). Het betrof een baan van 4/5 werkweek. Het voor deze werkzaamheden door [eiser] ontvangen salaris bedroeg ongeveer ƒ 110.000,-- bruto per jaar exclusief eventuele emolumenten. De aanvaarding van deze functie en het daarmee te verdienen salaris, zijn omstandigheden geweest, die bij de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst geen rol hebben gespeeld.

(vii) Bij de aanvraag voor zijn VUT-uitkering heeft [eiser] deze functie vermeld. De Hogeschool, aan wie [eiser] het aanvraagformulier ter verdere afhandeling toezond, heeft naar aanleiding van deze informatie besloten [eiser] niet te ontheffen van zijn - naar haar mening bestaande - verplichting tot afdracht van zijn bij het ZUW ontvangen salaris en voldoening daarvan verlangd. [eiser] heeft dit geweigerd.

3.2 De Hogeschool vordert in de onderhavige procedure, kort gezegd, afdracht van het salaris dat [eiser] bij het ZUW heeft genoten. De Kantonrechter heeft de vordering toegewezen en [eiser] veroordeeld tot betaling aan de Hogeschool van ƒ 177.633,76 bruto, terzake van in de periode van 28 augustus 1991 tot en met 31 juli 1993 uit hoofde van zijn functie als voorzitter van het Openbaar Lichaam ter voorbereiding van de instelling van het Zuidelijk Utrechts Waterschap genoten inkomsten.

De Rechtbank heeft in het hoger beroep het eindvonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.

3.3 In cassatie is uitsluitend aan de orde de verwerping in rov. 4.5 van het bestreden vonnis van de grieven die waren gericht tegen het oordeel van de Kantonrechter dat op [eiser] een verplichting tot afdracht van zijn nevenverdiensten rust.

3.4 Het eerste middel strekt ten betoge dat de Rechtbank heeft miskend dat [eiser] na het neerleggen van zijn functie geen werkzaamheden voor de Hogeschool behoefde te verrichten, zodat aan het begrip "werktijd" in art. I-Q512 RpbO elke betekenis is komen te ontvallen. [eiser] behoefde immers geen werkzaamheden meer te verrichten, zodat ook geen sprake kon zijn van nevenwerkzaamheden in de zin van deze bepaling.

Het middel berust op een onjuiste rechtsopvatting, nu het ervan uitgaat dat in de situatie, waarin [eiser] na 1 juni 1991 verkeerde, aan het begrip "werktijd" van de bepaling van art. I-Q512 RpbO elke betekenis was ontvallen. De hiervoor in 3.1 onder (iv) vermelde beëindigingsovereenkomst bracht geen wijziging in de tussen partijen bestaande en tot 1 januari 1994 doorlopende arbeidsovereenkomst wat betreft de bedongen werktijd, dat wil zeggen de voor de (oorspronkelijk) bedongen werkzaamheden beschikbare tijd of, nog weer anders gezegd, de tijd waarvoor de Hogeschool [eiser] nog steeds betaalde, waaraan niet kan afdoen dat die bedongen werkzaamheden in dit geval tot de datum van het ontslag niet daadwerkelijk behoefden te worden verricht. Nu de beëindigingsovereenkomst evenmin voorzag in een uitdrukkelijke afwijking op dit punt bleef het hiervoor in 3.1 onder (i) weergegeven artikel van het RpbO dan ook onverminderd van toepassing. Het middel faalt derhalve.

3.5 Het tweede middel richt zich met motiveringsklachten tegen het oordeel van de Rechtbank in rov. 4.5, inhoudende dat de Kantonrechter bij haar eindvonnis het besluit van de Hogeschool om geen ontheffing van de verplichting tot afdracht van neveninkomsten te verlenen niet heeft getoetst aan de door haar als (inmiddels ex-) werkgeefster jegens [eiser] in acht te nemen, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende maatstaven en dat dit besluit ook niet aldus zou kunnen/behoeven te worden getoetst omdat daartoe in eerste aanleg en ook in appel onvoldoende is gesteld. Dit oordeel geeft echter niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard kan het voor het overige niet op juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Hogeschool begroot op ƒ 4.417,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 2 november 2001.