Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2743

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-09-2001
Datum publicatie
07-09-2001
Zaaknummer
R01/050HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2743
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 455
JOL 2001, 456
NJ 2001, 550
NJ 2001, 562 met annotatie van P. van Schilfgaarde
RvdW 2001, 142
Ondernemingsrecht 2003, 2 met annotatie van R.J. van Galen
JWB 2001/208
JOR 2001/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 september 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/050HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster]

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J.J.A. Janssen,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1.Het geding in feitelijke instanties

Met een verzoekschrift, gedateerd 23 oktober 2000, heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - zich gewend tot de Rechtbank te 's-Gravenhage en verzocht verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - in staat van faillissement te verklaren.

Het verzoekschrift is behandeld op 13 december 2000. [verweerder] heeft bij de behandeling de hoofdvordering erkend, maar hij heeft het faillissementsverzoek bestreden.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 13 december 2000 het verzoek tot faillietverklaring van [verweerder] afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Nadat het Hof het verzoek ter terechtzittingen van 13 februari 2001 en 13 maart 2001 had behandeld, heeft het Hof bij beschikking van 20 maart 2001 de bestreden beschikking bekrachtigd.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geen verweer gevoerd.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 [verzoekster] heeft aan haar verzoek tot faillietverklaring van [verweerder] ten grondslag gelegd haar vordering op [verweerder] ten bedrage van ƒ 124.155,19 in hoofdsom, die onbetaald is gebleven. Als steunvordering heeft zij een aan [verweerder] verstrekte hypothecaire geldlening aangevoerd.

De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Het Hof heeft de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.

3.2 Het Hof heeft vooropgesteld dat het hier gaat om slechts één onbetaald gelaten, erkende en opeisbare schuld aan [verzoekster] van ƒ 124.155,19 met rente, en dat er daarnaast hypothecaire schulden zijn, waarop, naar moet worden aangenomen, regulier wordt afgelost en geen achterstand in betaling is ontstaan. Vervolgens heeft het Hof overwogen:

"Nu er van overige, onbetaald gelaten schulden ten processe niet is gebleken en [verweerder] klaarblijkelijk - behalve zijn schuld aan [verzoekster] - geregeld en tijdig aan zijn betalingsverplichtingen ter zake van de hypotheekschulden voldoet, terwijl betalingsonmacht ten aanzien van de schuld aan [verzoekster] niet aannemelijk is geworden, is het hof van oordeel, dat niet summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat [verweerder] verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen."

Voor zover het middel strekt ten betoge dat, nu sprake is van pluraliteit van schuldeisers, het Hof het faillissement had moeten uitspreken, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Wil een schuldenaar failliet verklaard kunnen worden, dan dient te worden vastgesteld dat hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen (art. 1 Fw). Het bestaan van meer schulden is daarvoor een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde: ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, dient nog te worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

Het Hof heeft dit onderzoek verricht en de vraag ontkennend beantwoord. Dit oordeel kan wegens zijn feitelijke karakter in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk en, mede in aanmerking genomen dat in een procedure als de onderhavige geen strenge motiveringseisen worden gesteld, niet onvoldoende gemotiveerd. Met name faalt ook de klacht dat het Hof de in de toelichting op het middel vermelde omstandig- heden - de uitlating van [verweerder] bij de mondelinge behandeling voor het Hof omtrent zijn bedrijfsresultaten over de jaren 1999 en 2000 en de aan een betalingsvoorstel van [verweerder] toegevoegde opmerking dat hij niet in staat was tot een hoger aanbod dan ƒ 1.000,-- per maand - niet in zijn beschouwingen heeft betrokken, reeds omdat het hier niet gaat om omstandigheden waarop [verzoekster] in feitelijke aanleg een beroep heeft gedaan.

Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 september 2001.