Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2742

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2001
Datum publicatie
23-10-2001
Zaaknummer
R01/012HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2742
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 426a, geldigheid: 2001-10-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 548
JWB 2001/252

Uitspraak

19 oktober 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/012HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 21 september 1998 ter griffie van de Rechtbank te Utrecht ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en de verdeling te bevelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap en een onzijdig persoon te benoemen die verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - bij de verdeling vertegenwoordigt voor het geval zij niet medewerkt tot de verdeling.

De vrouw heeft de Rechtbank verzocht zich onbevoegd te verklaren en in reconventie verzocht, voor zover in cassatie van belang:

- de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

- de man te veroordelen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van levensonderhoud een bedrag van ƒ 15.000,-- per maand te voldoen, bij vooruitbetaling te betalen.

De man heeft het verzoek in zoverre bestreden dat hij de Rechtbank heeft verzocht het bedrag dat de man tot het levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken te bepalen op ƒ 4.583,-- te verhogen met de brutering van ƒ 18,60 per maand, en te verstaan dat de vrouw de hypotheekrente, de premie ziektekostenverzekering en de inkomstenbelasting daaruit betaalt.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 27 oktober 1999, voor zover in cassatie van belang:

-de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

-bepaald dat de man ƒ 10.500,-- per maand aan de vrouw moet uitkeren voor haar levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

-bepaald dat partijen met elkaar dienen over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij beschikking van 23 november 2000 heeft het Hof de door de man met ingang van 18 april 2000 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op ƒ 10.000,-- per maand en de beschikking waarvan beroep in zoverre vernietigd.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar het Hof te 's-Gravenhage.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De man en de vrouw zijn op 30 juni 1971 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is op 18 april 2000 ontbonden door inschrijving van de beschikking van de Rechtbank van 27 oktober 1999, waarbij tussen hen echtscheiding is uitgesproken. Bij deze beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw ƒ 10.500,-- per maand voor haar levensonderhoud dient te betalen. Het Hof heeft, met vernietiging van deze beschikking in zoverre, de uitkering voor het levensonderhoud van de vrouw bepaald op ƒ 10.000,-- per maand. Hiertegen richt zich het middel.

3.2.1 Het Hof heeft vooropgesteld dat bij de bepaling van een redelijke bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw "moet worden gelet op" de omstandigheden van partijen tijdens het huwelijk, waarbij zowel financiële als niet-financiële omstandigheden "een rol spelen". De alimentatie-uitkering heeft immers, aldus het Hof, de strekking de vrouw in staat te stellen na de ontbinding van het huwelijk voort te leven "overeenkomstig haar door het huwelijk bepaalde stand" (rov. 3.2). Aldus heeft het Hof in algemene zin een aantal factoren genoemd die bij de bepaling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw aan de orde komen. Zoals onder meer blijkt uit het gebruik van de term "overeenkomstig", heeft het Hof evenwel, anders dan onderdeel 1.a veronderstelt, niet een (te) absolute betekenis toegekend aan de stand en de welstand tijdens het huwelijk. Het onderdeel kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.2.2 Onderdeel 1.b mist eveneens feitelijke grondslag, voor zover het ervan uitgaat dat het Hof heeft geoordeeld dat het gehele inkomen van de man zonder meer beslissend was voor de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Het Hof heeft met verwerping van het betoog van de man dat alleen datgene wat de vrouw tijdens het huwelijk voor zich zelf uitgaf in aanmerking komt voor de vaststelling van haar behoefte, geoordeeld dat voor de bepaling van de welstand van partijen mede van belang is het gedeelte van het inkomen dat werd gespaard en belegd, waarbij het Hof kennelijk mede de echtelijke woning voor ogen had. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering. Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.2.3 Onderdeel 1.c bouwt voort op de hiervoor besproken onderdelen en moet het lot ervan delen.

3.2.4 Het Hof zou reeds op voorhand rekening hebben mogen houden met hetgeen de vrouw na verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen uit het gemeenschappelijk vermogen zou hebben verkregen, indien daaromtrent een redelijke mate van zekerheid zou bestaan, maar het was daartoe niet verplicht. Onderdeel 1.d faalt derhalve.

3.2.5 Onderdeel 1.e verwijt het Hof in aanmerking te hebben genomen dat de vrouw oudedagsvoorzieningen moet treffen en moet zorgen voor een inkomen voor de periode dat de alimentatieplicht van de man ten einde loopt en haar oudedagsvoorzieningen nog niet tot uitkering komen. Het oordeel van het Hof dat in de gegeven omstandigheden waarin, naar de man zelf heeft aangevoerd, tijdens het huwelijk geen enkele pensioenvoorziening bestond, hiermee rekening wordt gehouden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan onderdeel 1.g wil, staat hieraan niet in de weg dat het Hof is uitgegaan van de financiële omstandigheden van de man in 1998 en de financiële omstandigheden tijdens het huwelijk. De onderdelen 1.e en 1.g zijn derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.2.6 Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof de stelling van de man dat de vrouw op grond van haar religieuze overtuiging geen pensioenvoorziening wenste, aldus opgevat dat zij slechts betrekking kon hebben op de zienswijze van de vrouw met betrekking tot de situatie tijdens het bestaan van het huwelijk, en dus niet van be-lang was voor de vaststelling van de alimentatie. Door het desbetreffende bewijsaanbod van de man te passeren heeft het Hof dan ook niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel behoefde ook geen nadere motivering. Onderdeel 1.f mist derhalve doel. Hetzelfde geldt voor onderdeel 1.j. Zo het Hof in de pleitnota in hoger beroep, waarnaar het onderdeel verwijst, al een bewijsaanbod heeft gelezen, heeft het kennelijk en niet onbegrijpelijk dit bewijsaanbod gepasseerd, omdat het de te bewijzen stelling te vaag oordeelde.

3.3.1 Onderdeel 2.a kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu het Hof wel heeft vermeld dat de man directeur-grootaandeelhouder is van [A] B.V., maar, anders dan het middel kennelijk tot uitgangspunt neemt, nergens overweegt dat en tot welk bedrag de man inkomsten uit die vennootschap geniet.

3.3.2 Onderdeel 2.b voldoet niet aan de daaraan op grond van art. 426a, tweede lid, Rv. te stellen eisen, nu het niet aangeeft waarop het doelt met de "genoemde inkomsten" die slechts een fiscaal karakter hebben.

3.4 De overige, hiervoor niet afzonderlijk besproken, klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden, omdat zij uitgaan van motiveringseisen die niet kunnen worden gesteld aan beslissingen die - zoals de beslissingen van het Hof waartegen deze klachten zijn gericht - uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht of behoefte naar voren gebrachte omstandigheden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 oktober 2001.