Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2738

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
15-10-2001
Zaaknummer
C99/344HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2738
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 538
JWB 2001/251

Uitspraak

12 oktober 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/344HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1] wonende te [woonplaats],

2. [Eiser 2] wonende te [woonplaats],

3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats],

4. de stichting STICHTING ONAFHANKELIJKE HULPVERLENING, zetelende te Bilthoven, gemeente De Bilt,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. E.D. Vermeulen,

t e g e n

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging NEDERLANDSE MAATSCHAPPIJ TOT BEVORDERING DER TANDHEELKUNDE, gevestigd te Nieuwegein,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder gezamenlijk te noemen: [eisers], eiseres tot cassatie onder 4 afzonderlijk ook als: SOH - hebben bij exploit van 18 augustus 1995 verweerder in cassatie - verder te noemen: NMT - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat NMT jegens niet-leden van haar vereniging onrechtmatig heeft gehandeld door zonder instemming van die niet-leden met de representatieve organisatie van de ziekenfondsen een uitkomst van overleg in die zin van die Ziekenfondswet tot stand te brengen die een regeling van afdrachten van honoraria ten gunste van NMT bevat;

2. voor recht te verklaren dat NMT jegens niet-leden van haar vereniging onrechtmatig handelt waar zij inbreuk maakt op vermogensrechten van die niet-leden door afdrachten uit de overeenkomsten die zij verkrijgt, te aanvaarden;

3. NMT te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting de schade te vergoeden die eisers als gevolg van het onrechtmatig handelen van NMT hebben geleden en lijden, zulks op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

NMT heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 26 november 1997 het gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben [eisers] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 15 juli 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

NMT heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor NMT toegelicht door zijn advocaat en voor [eisers] door mr. W.D.H. Asser, advocaat te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (hierna: Cotg) heeft voor het tijdvak van 1 april 1990 tot en met 1995 telkens tarieven voor tandheelkundige hulp (ten behoeve van ziekenfondsverzekerden) goedgekeurd. In deze tarieven is naast het honorarium voor de tandarts een aantal doelbijdragen opgenomen; één van deze doelbijdragen is een bijdrage, ter grootte van 0,95 % van de tarieven, in de contributie van NMT. De goedkeuring geschiedde telkens bij tariefbeschikking krachtens artikel 2 lid 2 Wet tarieven gezondheidszorg (hierna: Wtg).

(ii) Voormelde tarieven golden ook voor tandheelkundige hulp verleend door niet-leden van NMT. De eisers tot cassatie onder 1, 2 en 3 en de volmachtgevers van SOH oefenden in het in deze zaak relevante tijdvak als tandarts in Nederland hun praktijk uit zonder lid van NMT te zijn.

(iii) [Eisers] en de volmachtgevers van SOH zijn niet tegen de (onder (i) bedoelde) beschikkingen van het Cotg opgekomen bij de bestuursrechter; op de voet van art. 35 (35 lid 1, oud) Wtg stond een bestuursrechtelijke rechtsgang voor hen open mits zij door de beslissing van het Cotg rechtstreeks in hun belang waren getroffen.

(iv) NMT heeft als enige representatieve organisatie van tandartsen in overleg met de (representatieve organisatie van) ziekenfondsen met betrekking tot het tijdvak van 1990 tot en met 1995 telkens Uitkomsten van overleg (Uvo's) als bedoeld in art. 46 lid 2 Ziekenfondswet bereikt. Deze Uvo's hielden mede in dat de (onder (i) bedoelde) bijdrage in de contributie van NMT niet aan de tandarts die de tandheelkundige hulp had verleend, maar rechtstreeks aan NMT diende te worden betaald.

(v) Genoemde Uvo's, die op de voet van art. 46 lid 2 Ziekenfondswet aan de goedkeuring van de Ziekenfondsraad waren "onderworpen", zijn alle ook inderdaad door die raad goedgekeurd.

(vi) [Eisers] en de volmachtgevers van SOH zijn niet tegen de (onder (v) bedoelde) goedkeuringsbesluiten van de Ziekenfondsraad opgekomen bij de bestuursrechter (waarbij overigens moet worden aangetekend dat door het Hof in het midden is gelaten of een bestuursrechtelijke rechtsgang voor hen open stond).

(vii) De rechtmatigheid van de Uvo's is onomstreden.

(viii) Tandartsen - onder wie de eisers tot cassatie onder 1, 2 en 3 en de volmachtgevers van SOH - die in het in deze zaak relevante tijdvak een medewerkersovereenkomst met een ziekenfonds aangingen, onderschreven daarbij steeds een (model)overeenkomst tussen ziekenfonds en tandarts, die (conform art. 44 lid 4 Ziekenfondswet) overeenstemde met de (onder (iv) en (v) bedoelde) door de Ziekenfondsraad goedgekeurde Uvo's.

(ix) Een modelovereenkomst als bedoeld in art. 44a en art. 44 lid 4 Ziekenfondswet (vast te stellen door de Ziekenfondsraad en goed te keuren door de Minister van VWS) ten behoeve van medewerkersovereenkomsten tussen tandartsen en ziekenfondsen is in het relevante tijdvak niet tot stand gekomen.

(x) Ingevolge de (onder (viii) bedoelde) medewerkersovereenkomsten betaalden de ziekenfondsen in het relevante tijdvak ook inderdaad de bijdrage in de contributie van NMT niet aan de tandarts maar rechtstreeks aan NMT. Het gaat daarbij om een bedrag in de orde van ƒ 1.600,-- per tandarts per jaar.

(xi) SOH heeft aanspraak erop gemaakt dat NMT deze bijdrage, voorzover genoten ter zake van tandheelkundige hulp verleend door niet-leden (zoals de eisers tot cassatie onder 1, 2 en 3 en de volmachtgevers van SOH), afstaat (voorzover de rechtsvordering niet is verjaard) omdat NMT gehouden is tot restitutie van wat zij, naar de mening van SOH, aldus zonder titel heeft verkregen. NMT weigert aan dit verlangen te voldoen omdat zij meent niets zonder titel te hebben verkregen.

(xii) De promillage-contributie voor NMT maakt met ingang van 1996 geen deel meer uit van het door het Cotg goedgekeurde tarief; de ziekenfondsen betalen met ingang van dat jaar niet langer enige bijdrage in de contributie van NMT rechtstreeks aan NMT. Wel bevat dit tarief nog steeds een contributiecomponent, die echter samen met de overige componenten aan de tandarts wordt betaald, ook als deze geen lid van NMT is.

3.2 [Eisers] hebben de onder 1 weergegeven vordering ingesteld, strekkende tot verklaringen voor recht en tot schadevergoeding. Hieraan hebben zij ten grondslag gelegd dat NMT onrechtmatig jegens niet-leden heeft gehandeld en/of nog handelt:

- doordat zij in strijd met de haar betamende zorgvuldigheid en met misbruik van haar bevoegdheden de hiervoor in 3.1 onder (iv) omschreven Uvo's tot stand heeft gebracht zonder instemming van die niet-leden;

- en doordat zij inbreuk heeft gemaakt op vermogensrechten van die niet-leden door de hiervoor in 3.1 onder (x) omschreven betalingen van de ziekenfondsen te aanvaarden en te behouden.

De Rechtbank heeft het gevorderde afgewezen. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

3.3.1 [Eisers] hebben de geldigheid van de Uvo's en van de medewerkersovereenkomsten niet bestreden.

De Rechtbank heeft onder meer overwogen:

"4.5[[Eisers]] voeren aan, dat een wettelijke grondslag voor afdracht van de bijdrage ontbreekt. [[Eisers]] zien er echter aan voorbij, dat bij het ziekenfonds aangesloten tandartsen door ondertekening van de medewerkersovereenkomst instemmen met de modelovereenkomst (die gelijk is aan de uitkomst van overleg), waarin de bijdrageregeling is opgenomen, ongeacht of zij lid zijn van de NMT. De afdracht van de bijdrage berust dus op een verbintenis uit overeenkomst. Om dezelfde reden faalt het argument, dat het gehele tarief aan de tandarts dient toe te komen. De tandartsen hebben immers ingestemd met rechtstreekse afdracht van de bijdrage."

Ook het Hof heeft aangenomen dat de door de eisers tot cassatie onder 1, 2 en 3 en de volmachtgevers van SOH met de ziekenfondsen gesloten medewerkersovereenkomsten een beding ten gunste van NMT inhielden, dat de ziekenfondsen verplichtte tot betaling van de litigieuze bijdrage aan NMT, en dat NMT deze bedingen heeft aanvaard. Dit oordeel ligt besloten in de hiervoor in 3.1 onder (viii), in verbinding met (iv) en (x), weergegeven vaststellingen van het Hof, alsmede in rov. 4.13, waarin het Hof overweegt:

"(...) De promillage-contributie komt geenszins toe aan de tandarts-niet-lid, maar aan NMT en wel op grond van de medewerkersovereenkomst waarin dit ten behoeve van NMT tussen de individuele tandarts en het ziekenfonds is overeengekomen. (...)"

In deze overwegingen ligt een verwerping besloten van de tegen rov. 4.5 van de Rechtbank gerichte vijfde grief van [eisers]

3.3.2 Uit het in 3.3.1 overwogene volgt dat onderdeel 2.6 van het middel uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest van het Hof en derhalve niet kan slagen.

3.3.3 Onderdeel 2.7 klaagt, naar de kern genomen, dat het Hof met zijn in 3.3.1 weergegeven oordeel is getreden buiten de grenzen van der partijen rechtsstrijd. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld, aangezien het Hof met zijn oordeel geheel is gebleven binnen de grenzen van het processuele debat dat naar aanleiding van rov. 4.5 van de Rechtbank - dat eenzelfde oordeel inhield - is gevoerd.

Anders dan in onderdeel 2.8 wordt betoogd, is 's Hofs oordeel niet onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere motivering.

3.4 Het hiervoor overwogene brengt mee dat in deze procedure vaststaat dat de betalingen door de ziekenfondsen aan NMT en de aanvaarding daarvan door NMT een voldoende rechtsgrondslag vinden in de door eisers tot cassatie onder 1, 2 en 3 en de volmachtgevers van SOH met de ziekenfondsen gesloten medewerkersovereenkomsten. Hiermee is niet te verenigen dat die aanvaarding als onrechtmatig jegens eerstgenoemde contractspartijen zou moeten worden aangemerkt op de door [eisers] aangevoerde, hiervoor in 3.2 weergegeven, gronden. Het Hof heeft dus terecht geoordeeld dat de vordering van [eisers] moet worden afgewezen, wat er zij van de daarvoor aangevoerde gronden. De daartegen aangevoerde klachten kunnen derhalve wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van NMT begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 oktober 2001.