Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2623

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2001
Datum publicatie
16-07-2001
Zaaknummer
R01/044HR
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Cassatie in het belang der wet
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 441
NJ 2002, 223 met annotatie van Th.M. de Boer
RvdW 2001, 135
EB 2001, 36
JWB 2001/195
FJR 2014/57.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2001

Vakantie Kamer

Rek.nr. R01/044HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op een eis tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en gericht tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 21 december 1999 in de zaak van:

[De man], wonende te [woonplaats],

t e g e n

de Ambtenaar van de burgerlijke stand te Amsterdam.

1. Het geding in feitelijke instantie

Met een op 17 september 1999 ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft [de man] - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de Ambtenaar van de burgerlijke stand - verder te noemen: de Ambtenaar - te bevelen de basisadministratie persoonsgegevens aan te vullen, als bedoeld in artikel 86 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA).

Nadat de Ambtenaar het verzoek had bestreden heeft de Rechtbank bij beschikking van 21 december 1999 het verzoek van de man toegewezen en de Ambtenaar gelast de ontbinding op 28 april 1999 te Marokko van het op 8 mei 1996 tussen de man en [de vrouw] - hierna: de vrouw - gesloten huwelijk in de gemeentelijke basisadministratie personen in te schrijven.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet. De desbetreffende voordracht en vordering is aan deze beschikking gehecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) De man, geboren in 1950, sinds 1 augustus 1972 onafgebroken opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) van de gemeente Amsterdam, heeft op 3 oktober 1986 door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit gekregen. Hij heeft daarnaast de Marokkaanse nationaliteit behouden.

(ii) De man is in 1974 te Casablanca, Marokko, gehuwd. Op 2 juni 1977 is in Amsterdam uit dit huwelijk een dochter geboren. Het huwelijk is in 1981 in Nederland door echtscheiding ontbonden. De man is in 1984 opnieuw te Casablanca gehuwd. Uit dit huwelijk is in Amsterdam in 1987 een dochter geboren. Dit huwelijk is in 1992 in Nederland door echtscheiding ontbonden.

(iii) Op 8 mei 1996 is de man te Casablanca in het huwelijk getreden met [de vrouw], die de Marokkaanse nationaliteit heeft. Het echtpaar heeft enige tijd samen in [woonplaats] gewoond, waarna de vrouw is teruggekeerd naar Marokko.

(iv) De vrouw en een gemachtigde van de man zijn op 28 april 1999 ontvangen door twee adouls (door de overheid als getuigen benoemde ambtenaren) bij het "Tribunal de Première Instance" van Beb Msik - Sidi Othman te Casablanca. Op verzoek van de vrouw hebben de adouls een "Acte de répudiation compensatoire" opgemaakt, waaruit blijkt dat de vrouw wenst te worden verstoten, dat zij niet zwanger is, dat uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren en dat zij afziet van de rechten die het huwelijk met de man haar bood (een zogenoemde "khoel"). De adouls hebben vastgesteld dat op deze wijze een regelmatige echtscheiding heeft plaatsgevonden. De akte is door de adouls ondertekend en is gehomologeerd door de "Cadi Notaire", de rechter belast met notariële zaken van de hiervoor genoemde rechtbank.

(v) De Ambtenaar heeft geweigerd de akte als huwelijksontbinding in te schrijven in de GBA. Op het door de man daartegen gemaakte bezwaar, heeft de Bezwaarcommissie GBA op 11 augustus 1999 afwijzend beschikt.

(vi) De man heeft daarop de Rechtbank verzocht de Ambtenaar te bevelen alsnog de akte als huwelijksontbinding in te schrijven in de GBA. De Rechtbank heeft het verzoek toegewezen.

3.2 Aan zijn tot de Rechtbank gerichte verzoek heeft de man ten grondslag gelegd dat de ontbinding van het huwelijk door verstoting tegen compensatie in Nederland op de voet van art. 2 van de Wet Conflictenrecht Echtscheiding (Wet van 25 maart 1981, Stb 1981, 166; hierna: WCE) dient te worden erkend.

De Rechtbank heeft als volgt overwogen. De band die de man met Nederland heeft moet geacht worden zoveel sterker te zijn dan zijn band met Marokko - waarbij vooral een rol speelt dat de man door een verzoek tot naturalisatie in te dienen kenbaar heeft gemaakt zich niet langer met Marokko verbonden te voelen - dat de Marokkaanse autoriteiten op grond van het bepaalde in art. 2 van het Haags Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed van 1 juni 1970, Trb. 1979 nr., 131, niet bevoegd waren ter zake van de ontbinding van zijn huwelijk. Op grond van art. 2 lid 2 WCE is echter toch erkenning van de onderhavige huwelijksontbinding mogelijk. De "acte de répudiation compensatoire" is opgemaakt op verzoek van de vrouw. Aldus was de man in de Marokkaanse procedure wederpartij, zoals bedoeld in art. 2 lid 2 WCE. Uit de omstandigheid dat de man de erkenning van de huwelijksontbinding wenst, volgt dat hij met de ontbinding instemt. Het bezwaar van de Ambtenaar dat de "Acte de répudiation compensatoire" niet na een behoorlijke rechtspleging is tot stand gekomen, aangezien noch de autoriteiten noch de vrouw de echtscheiding kunnen tegenhouden, gaat niet op aangezien het juist de vrouw was die de echtscheiding heeft verzocht. Aan erkenning staan derhalve geen bezwaren in de weg.

3.3 Het middel acht de beslissing van de Rechtbank in strijd met art. 2 en 3 WCE. Het voert daartoe - kort weergegeven - het volgende aan:

A. De onderhavige huwelijksontbinding kan niet onder art. 2 WCE worden gebracht, omdat die ontbinding niet is geconstitueerd door een uitspraak van een rechter of een andere autoriteit in een daartoe strekkende procedure.

B. Op de onderhavige huwelijksontbinding is art. 3 WCE van toepassing. Uit de door de Rechtbank vastgestelde feiten volgt dat aan de erkenningsvoorwaarde in dat artikel gesteld onder a niet is voldaan, nu moet worden aangenomen dat de effectieve nationaliteit van de man de Nederlandse is en niet de Marokkaanse.

3.4.1 De behandeling van de door het middel opgeworpen vragen vereist in de eerste plaats na te gaan welke bete-kenis moet worden gehecht aan het in de WCE gemaakte onderscheid tussen een in het buitenland door de beslissing van een rechter of andere autoriteit tot stand gekomen huwelijksontbinding (art. 2) en de in het buitenland door een eenzijdige verklaring van de man tot stand gekomen ontbinding (art. 3). De memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1979-1980, 16004, nrs. 3-4, blz. 19) zegt over laatstgenoemd artikel:

"Dit artikel geeft een regel voor verstotingen buiten het Koninkrijk verricht, die niet onder artikel 2 vallen. Voorop wordt gesteld dat deze zonder me-dewerking of toezicht van enige autoriteit, althans zonder enige vorm van proces tot stand gekomen verstoting, niet voor erkenning in aanmerking komen. Echter wordt een uitzondering gemaakt voor het geval dat de verstoten vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd. (…...)"

en over artikel 2 (Kamerstukken II, 1979-1980, 16004, nrs. 3-4, blz. 17):

"In enkele landen worden scheidingen niet of niet uitsluitend door rechterlijke autoriteiten uitgesproken. Soms is een administratieve autoriteit bevoegd de scheiding tot stand te brengen, soms een kerkelijke. De beslissingen van al deze autoriteiten komen in Nederland voor erkenning in aanmerking.

In sommige gevallen komt de ontbinding van het huwelijk tot stand doordat de man met medewerking of onder toezicht van een kerkelijke of burgerlijke autoriteit de vrouw verstoot. Wanneer de tussenkomst van die autoriteit aan de verstoting het karakter van een procedure geeft en de ontbinding van het huwelijk dientengevolge onder zekere waarborgen tot stand komt, dan is het geen bezwaar haar in Nederland te erkennen. Deze vorm van verstoting valt onder het begrip echtscheiding dat in dit artikel wordt gebezigd. In andere landen geschiedt verstoting echter louter door een handeling van de man zonder medewerking of toezicht van enige autoriteit, althans zonder enige vorm van proces. Deze verstoting valt niet onder artikel 2 maar onder artikel 3. (…...)"

3.4.2 Art. 2 WCE ziet niet op elke buiten het Koninkrijk tot stand gekomen huwelijksontbinding (of scheiding van tafel en bed). Het artikel heeft slechts betrekking op de erkenning van buiten het Koninkrijk verkregen huwelijksontbindingen die zijn tot stand gekomen, na rechtspleging in enige vorm, "door de beslissing van een rechter of andere autoriteit". Blijkens de hiervoor aangehaalde passages uit de ontstaansgeschiedenis van de WCE is het niet uitgesloten dat ook een huwelijksontbinding door verstoting onder de werking van art. 2 kan vallen. Wil dat het geval zijn, dan zal het derhalve een huwelijksontbinding moeten betreffen die, hoezeer ook gegrond op een verstoting, niettemin tot stand is gekomen na een procedure waarin de vrouw als "wederpartij" de gelegenheid heeft gehad om gehoord te worden, door een tot beëindiging van het huwelijk strekkende beslissing door de rechter of andere autoriteit.

De huwelijksontbinding naar Marokkaans recht op grond van verstoting, waaronder ook de khoel valt, voldoet niet aan deze vereisten. Weliswaar vindt de verstoting plaats ten overstaan van twee adouls, maar hun taak is beperkt tot het registreren van de verstoting. Van een procedure waarin de vrouw voorafgaand aan de verstoting wordt gehoord is geen sprake. Aan de adouls komt geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de ontbinding toe; zij constateren slechts dat de verstoting heeft plaatsgevonden. De rol van de homologatierechter (cadinotaire) bestaat erin te verklaren dat de adouls de verstotingsakte opgesteld hebben en dat zij vooraf als betrouwbaar zijn erkend. Een procedure over de huwelijksontbinding vindt voor de homologatierechter niet plaats. Erkenning van de onderhavige huwelijksontbinding kan dan ook niet worden gegrond op art. 2 WCE.

3.4.3 Op grond van het bepaalde in art. 3 WCE kan de onderhavige huwelijksontbinding door verstoting, waarvan in deze procedure als vaststaand moet worden aangenomen dat de vrouw ermee heeft ingestemd en dat zij in Marokko rechtsgevolg heeft, voor erkenning in aanmerking komen indien "de ontbinding van het huwelijk in deze vorm over-eenstemt met de personele wet van de man".

3.4.4 Bij de beantwoording van de vraag wat in dit verband - nu de man zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit heeft - onder de personele wet van de man dient te worden verstaan, moet het volgende worden vooropgesteld. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de WCE voor ogen gestaan dat buiten het Koninkrijk verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed in ruime mate dient te worden erkend. Daardoor wordt voorkomen dat hinkende rechtsverhoudingen ontstaan die diep in het privé-leven kunnen ingrijpen. Ook met betrekking tot de zogenoemde verstoting is onder ogen gezien dat die voor erkenning in aanmerking kan komen. Zo is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (zie hiervoor in 3.4.1) ervan uitgegaan dat een verstoting mogelijk onder art. 2 WCE kan vallen. Voorts kan erop worden gewezen dat in art. 3 weliswaar tot uitgangspunt is genomen dat huwelijksontbinding tot stand gebracht door verstoting niet wordt erkend, maar in dit wetsartikel zijn tevens voorwaarden opgenomen waaronder zo een huwelijksontbinding wél voor erkenning in aanmerking komt. Een belangrijke voorwaarde daarvoor is de voorwaarde genoemd onder c van art. 3, te weten dat duidelijk blijkt dat de vrouw uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd of zich daarbij heeft neergelegd. Door deze voorwaarde is de ongelijkwaardige positie van de vrouw bij een verstoting enigszins hersteld en wordt aan de vrouw de mogelijkheid geboden om van een verstoting "gebruik te maken" om een op deze wijze verkregen huwelijksontbinding in het Koninkrijk erkend te zien.

Indien in een geval als het onderhavige, waarin de effectieve nationaliteit van de man de Nederlandse is, slechts acht zou worden geslagen op die nationaliteit en niet op zijn Marokkaanse nationaliteit, zou geen recht worden gedaan aan de positie van de vrouw bij een verstoting. Indien zij met de verstoting heeft ingestemd, is het immers ook in haar belang dat zij zich ook in het Koninkrijk op de ontbinding van het huwelijk kan beroepen, en moet daaraan niet in de weg staan dat de vreemde nationaliteit van de man niet zijn effectieve nationaliteit is. Hiermee strookt het in een geval als het onderhavige, waarin de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten de Marokkaanse is, hun huwelijk met toepassing van Marokkaanse recht is ontbonden en duidelijk blijkt dat de vrouw uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd of zich daarbij heeft neergelegd, het voor de man geldende Marokkaanse recht als de personele wet van de man in de zin van art. 3 WCE aan te merken.

3.4.5 Nu in het onderhavige geval vaststaat dat de man en de vrouw de Marokkaanse nationaliteit hebben, dat de huwelijksontbinding in Marokko rechtsgevolg heeft en de vrouw met de huwelijksontbinding heeft ingestemd, kan slechts worden geoordeeld dat de ontbinding op 28 april 1999 te Marokko van het op 8 mei 1996 tussen de man en de vrouw gesloten huwelijk op grond van het bepaalde in art. 3 WCE in Nederland dient te worden erkend. Het middel faalt derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 13 juli 2001.