Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2546

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2001
Datum publicatie
11-07-2001
Zaaknummer
C99/306HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 juni 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/306HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. B. Winters.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploiten van 15 juli 1996 en 26 juli 1996 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat de op 8 augustus 1995 door het Kadaster gemeten perceelgrens, die vervol-gens is uitgezet met ijzers en krijtstrepen, zoals aangegeven op de kadastrale kaart, afgegeven op 16 augustus 1995, de perceelgrens is van de percelen kadastraal bekend gemeente [B] sectie [..] nummer [..], groot 27 aren en 57 centiaren, en sectie [..] nummer [..], groot 45 aren en 73 centiaren;

2. [verweerder] c.s. te veroordelen om de door hen in gebruik en bezit genomen strook grond zoals hierboven omschreven te ontruimen en ontruimd te houden en ter beschikking te stellen van [eiser] c.s., indien en voor zover de strook grond gelegen is op hun perceel, binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen vonnis, een en ander op verbeurte van een dwangsom.

[Verweerder] c.s. hebben de vordering bestreden.

Na een ingevolge een tussenvonnis van 15 oktober 1996 op 13 november 1996 gehouden comparitie van partijen heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 8 april 1997 de vorderingen afgewezen.

Tegen het eindvonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij gelegenheid van memorie van grieven hebben [eiser] c.s. hun eis gewijzigd zoals in dat stuk omschreven.

Na een ingevolge een tussenarrest van 19 oktober 1998 op 16 november 1998 gehouden descente heeft het Hof bij eindarrest van 26 april 1999 het bestreden vonnis bekrachtigd, en het door [eiser 1] in hoger beroep sub 1 subsidiair en meer subsidiair gevorderde afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het Hof hebben [..] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwer-ping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advo-caten en voor [eiser] c.s. mede door mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 10 mei 2001 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] c.s. zijn eigenaar van de semi-bungalow met garage, tuinhuisje en verdere aanhorigheden, erf en tuin, gelegen te [woonplaats], voorheen gemeente [B] en thans gemeente [C], aan de [a-straat 1].

(ii) [Verweerder] c.s. zijn eigenaar van het woonhuis met garage en tuin, gelegen te [woonplaats], voorheen gemeente [B] en thans gemeente [C], aan de [a-straat 2].

(iii) De percelen van [eiser] c.s. en [verweerder] c.s. grenzen aan elkaar. Partijen bewonen de op de percelen gebouwde huizen en zijn dus buren van elkaar.

(iv) [Eiser] c.s. zijn eigenaar geworden op 26 oktober 1984 en [verweerder] c.s. op 17 juni 1964.

(v) Op initiatief en op kosten van [eiser] c.s. heeft het kadaster op 8 augustus 1995 metingen verricht naar de kadastrale scheidslijn tussen de percelen van partijen.

(vi) Uit deze kadastrale opmeting blijkt dat de kadastrale grens tussen de percelen van partijen iets ten zuidoosten ligt van de grens welke ter plaatse uiterlijk zicht-baar is en door [verweerder] c.s. als grens wordt aangenomen.

(vii) Volgens [eiser] c.s. blijkt uit deze kadastrale opmeting dat [verweerder] c.s. een smalle strook grond in gebruik hebben, die volgens het kadaster op naam van [eiser] c.s. teboekstaat.

3.2 [Eiser] c.s. hebben de onder 1 vermelde vorderingen ingesteld. De Rechtbank is tot de slotsom gekomen dat [verweerder] c.s. vanaf het midden van de jaren zestig be-zitsdaden hebben uitgeoefend ten aanzien van de voormelde strook grond. De Rechtbank heeft met toepassing van het bepaalde in de art. 3:105 BW in verbinding met 3:306 BW en 73 Ow NBW geoordeeld dat de termijn waarbinnen [eiser] c.s. hun rechtsvordering tot beëindiging van het door [verweerder] c.s. uitgeoefende bezit konden instellen, in alle gevallen eindigde op 1 januari 1993. Bij ontbreken van stuiting van deze extinctieve verjaring heeft de Rechtbank de vorderingen afgewezen.

3.3 Het Hof heeft na een plaatsopneming en bezichtiging in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het Hof heeft in rov. 8.3 van zijn eindarrest vermeld hetgeen het blijkens het proces-verbaal van descente van 16 november 1998 bij de bezichtiging ter plaatse heeft geconstateerd.

3.4 De onderdelen 1 en 2 van het middel hebben betrekking op rov. 8.2 en 8.6 en klagen dat het Hof niet met voldoende precisie de grenzen heeft aangegeven van de litigieuze strook grond, waarvan [verweerder] c.s. door het Hof als bezitter sedert het midden van de jaren zestig zijn aangemerkt.

De onderdelen falen wegens gebrek aan belang. De door [eiser] c.s. ingestelde vorderingen strekten voor zo-ver hier van belang tot verklaring voor recht dat de op 8 augustus 1995 door het kadaster gemeten perceelsgrens de perceelsgrens is tussen de percelen van partijen. Het Hof was niet gehouden om, bij afwijzing van die vordering, aan te geven waar de grens tussen de percelen loopt.

3.5 De primaire klacht van onderdeel 3, die is gericht tegen de eerste alinea van rov. 8.6, kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. In rov. 8.5 heeft het Hof geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] door de daar genoemde handelingen de strook grond heeft ingericht ten behoeve van eigen gebruik en genot, hetgeen naar het oordeel van het Hof moet worden gekwalificeerd als het uitoefenen van bezitsdaden ten aanzien van deze strook grond. Hieruit volgt dat het Hof heeft aangenomen dat de genoemde bezitsdaden niet betrekking hebben op gedeelten van de strook grond, maar op de gehele strook grond.

3.6 De subsidiaire klacht van onderdeel 3 houdt in dat, voor zover het Hof bedoeld mocht hebben dat inbezitname van een deel van de strook beschouwd moet worden als inbe-zitname van de gehele strook, 's Hofs beslissing niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Ook deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen. Het Hof heeft niet bedoeld dat inbezitname van een deel van de strook beschouwd moet worden als inbezitname van de gehele strook. Het Hof heeft geoordeeld dat uit het uitoefenen van verschillende bezitsdaden ten aanzien van de strook grond sedert het midden van de jaren zestig volgt dat [verweerder] c.s. sedertdien als bezitter van de gehele strook grond moeten worden beschouwd. Naar 's Hofs oordeel kwam het bezit vanaf het midden van de ja-ren zestig aan [verweerder] c.s. toe en betrof dit bezit van meet af aan de strook grond als geheel. Daaraan doet niet af dat het verrichten van bezitsdaden door [verweerder] c.s. ten aanzien van de strook grond na de aanvang van het bezit is voortgezet.

3.7 Gelet op het vorenoverwogene kon het Hof voorbijgaan aan het door [eiser] c.s. in de memorie van grieven onder 4.8 gedane bewijsaanbod als niet terzake dienend, nu dit in algemene termen gestelde bewijsaanbod betrekking had op stellingen van [eiser] c.s., die waren uitgewerkt naar verschillende delen van de strook grond. De desbetreffende motiveringsklacht in het slot van onderdeel 3 faalt derhalve.

3.8 Uit het in 3.6 overwogene volgt dat onderdeel 4, dat slechts een uitwerking van onderdeel 3 vormt, geen behandeling behoeft.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk,

R. Herrmann, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 29 juni 2001.