Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2449

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2001
Datum publicatie
19-11-2004
Zaaknummer
1311
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De Gemeente Echt heeft bij exploit van 7 augustus 2000 [verweerder 2] in zijn hoedanigheid van derde in de zin van artikel 20 van de Onteigeningswet doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Roermond en gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten algemene nutte ten behoeve van de Gemeente van het perceel grasland, kadastraal bekend gemeente Echt, sectie [..], grondplannummer [..], ter grootte van 2.36.60 ha, en bepaling van een voorschot op de schadeloosstelling.

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet 77
Wet op de rechterlijke organisatie 101a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2004/405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1311

13 juni 2001

in de zaak van

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen

1. de Gemeente Echt, zetelende te Echt,

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé,

2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats],

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. De Gemeente Echt heeft bij exploit van 7 augustus 2000 [verweerder 2] in zijn hoedanigheid van derde in de zin van artikel 20 van de Onteigeningswet doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Roermond en gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten algemene nutte ten behoeve van de Gemeente van het perceel grasland, kadastraal bekend gemeente Echt, sectie [..], grondplannummer [..], ter grootte van 2.36.60 ha, en bepaling van een voorschot op de schadeloosstelling.

1.2. Bij vonnis van 12 oktober 2000 heeft de Rechtbank eiseres tot cassatie [..] (hierna: [eiseres]) toegelaten tot het geding, ten laste van haar de gevorderde onteigening van het betrokken perceel, waarvan [eiseres] inmiddels eigenaar was geworden, uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling bepaald op f 425.880,--, en een deskundige en een rechter-commissaris benoemd. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. [Eiseres] heeft het vonnis van 12 oktober 2000 met een middel van cassatie bestreden. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten.

2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 21 maart 2001 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar cassatieberoep tegen het bestreden vonnis voor zover dat is gewezen tussen de Gemeente en [verweerder 2] en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. De ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Nu [verweerder 2] in de procedure voor de Rechtbank als tegenpartij van de Gemeente optrad, kan hij niet samen met de Gemeente als verweerder in deze cassatieprocedure worden betrokken, zodat [eiseres] in haar cassatieberoep tegen het bestreden vonnis, voor zover dat is gewezen tussen de Gemeente enerzijds en [verweerder 2] anderzijds, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen het bestreden vonnis, voorzover dat is gewezen tussen de Gemeente en [verweerder 2],

verwerpt het beroep voor het overige, en

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente, begroot op f 632,20 aan verschotten en op f 3.000 voor salaris en aan de zijde van [verweerder 2] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en L. Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2001.

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. J.W. ILSINK

ADVOCAAT-GENERAAL