Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2371

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2001
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
C99/257HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2371
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Advocatenwet 58
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 838
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 415
NJ 2001, 613 met annotatie van W.D.H. Asser
RvdW 2001, 124
JWB 2001/180
AA20010990 met annotatie van G.R. Rutgers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 juni 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/257HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Hof van Discipline), gevestigd te 's-Gravenhage,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen,

t e g e n

STICHTING WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK RECHTERLIJKE MACHT, gevestigd te Wassenaar,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Stichting WORM - heeft bij exploit van 25 mei 1998 de Nederlandse Orde van Advocaten - verder te noemen: de NOvA - en eiser tot cassatie - verder te noemen: de Staat - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd:

primair:

de NOvA:

I. te bevelen de Stichting WORM inzage te geven in alle door het Hof van Discipline gewezen tuchtrechtelijke beslissingen in de periode van 1 januari 1988 tot en met de dag van dagvaarding;

II. te bevelen de Stichting afschrift te verstrekken van door het Hof van Discipline gewezen tuchtrechtelijke beslissingen in de periode van 1 januari 1988 tot en met de dag van dagvaarding;

subsidiair:

de Staat:

I. te bevelen de Stichting WORM inzage te geven in alle door het Hof van Discipline gewezen tuchtrechtelijke beslissingen in de periode van 1 januari 1988 tot en met de dag van dagvaarding;

II. te bevelen de Stichting WORM op eerste verzoek afschrift te verstrekken van door het Hof van Discipline gewezen tuchtrechtelijke beslissingen in de periode van 1 januari 1988 tot en met de dag van dagvaarding.

De NOvA en de Staat hebben de vordering bestreden.

De President heeft bij vonnis van 24 juni 1998 de behandeling van het kort geding pro forma aangehouden teneinde het Hof van Discipline en het Ministerie van Justitie de gelegenheid te geven tot nadere standpuntbepaling als in zijn vonnis in 3.11 overwogen.

Tegen dit vonnis hebben de NOvA en de Staat hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 10 juni 1999 heeft het Hof de NOvA niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, het bestreden vonnis bekrachtigd, voor zover tussen de Stichting WORM en de Staat gewezen, en de zaak teruggewezen naar de President van de Rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen Stichting WORM is verstek verleend.

De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaat alsmede door mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Blijkens het register van de Kamer van Koophandel heeft de Stichting WORM ten doel: het doen van wetenschappelijk onderzoek betreffende de rechterlijke macht.

(ii) De Stichting WORM tracht dit doel te bereiken door het verkrijgen van gegevens die de rechterlijke macht betreffen, door het verwerken van die gegevens en het zo nodig beschikbaar stellen van gegevens en resultaten.

(iii) De Minister van Justitie heeft bij beslissing van 27 maart 1998 de Stichting WORM vrijstelling verleend van het heffen van recht wat betreft de afgifte van afschriften van vonnissen en arresten van rechterlijke colleges in Nederland, omdat met het doel van de Stichting WORM "doeleinden van algemeen belang worden gediend".

(iv) Bij brief van 5 januari 1998 heeft de Stichting WORM in het kader van te verrichten onderzoek een (in algemene termen vervat) verzoek gericht aan het Hof van Discipline om een aantal tuchtrechtelijke beslissingen van dat Hof te mogen inzien.

(v) In daarna nog gevoerde correspondentie heeft de Stichting WORM haar verzoek nader gespecificeerd; zij heeft inzage verzocht in alle tuchtrechtelijke beslissingen vanaf 1 januari 1988 en gevraagd om op eerste verzoek een afschrift te verkrijgen van die beslissingen.

(vi) Met een beroep op art. 8 EVRM heeft het Hof van Discipline bij brief van 20 april 1998 dit verzoek geweigerd.

(vii) Het Hof van Discipline is niet bereid om inzage in en desgewenst afschrift van de beslissingen te geven.

3.2 De Stichting WORM heeft de Staat in kort geding gedagvaard en gevorderd - samengevat - dat deze zou worden veroordeeld tot het geven van inzage in en tot het verstrekken op eerste verzoek van afschriften van alle tuchtrechtelijke beslissingen vanaf 1 januari 1988.

De President heeft bij tussenvonnis de zaak aangehouden, teneinde (de griffier van) het Hof van Discipline en een vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie de gelegenheid te geven tot nadere standpuntbepaling op basis van de door hem in rov. 3.1 tot en met rov. 3.10 geformuleerde uitgangspunten. Tot deze uitgangspunten behoort het oordeel dat slechts afgifte in zorgvuldig geanonimiseerde vorm ten aanzien van "de klagers en anderen, die ook bij naam in de beslissingen worden genoemd" (personen, "niet zijnde professionele deelnemers aan een zaak zoals de betrokken advocaat") aan de orde is (rov. 3.7 en rov. 3.9).

Het Hof heeft het vonnis van de President bekrachtigd. Hiertegen richt zich het middel.

3.3 Na in rov. 3 van zijn arrest de overwegingen van de President te hebben weergegeven waartegen de appelgrieven waren gericht, heeft het Hof in zijn rov. 4 overwogen, voor zover in cassatie van belang:

"Het Hof is met de president om de in het bestreden vonnis genoemde redenen van oordeel dat artikel 58 Advocatenwet geen lex specialis is ten opzichte van artikel 838 Rv. en dat artikel 838 Rv. een voldoende solide basis vormt voor een aan WORM toe te kennen recht op inzage/afschrift van tuchtrechtelijke uitspraken van het HvD."

3.4 Bij de beoordeling van het eerste onderdeel verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 23 oktober 1936, NJ 1936, 935, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat overeenkomstig het gewone spraakgebruik onder openbare registers in de eerste plaats moeten worden verstaan de registers die de wet als zodanig aanduidt, of ten aanzien waarvan de wet heeft voorgeschreven dat het publiek op een bepaalde wijze van de inhoud daarvan kan kennis nemen, maar dat ook arresten en vonnissen onder de in dit artikel bedoelde openbare registers dienen te worden gerangschikt. Mede gelet op de vergelijking die het Hof in het vervolg van zijn rov. 4 maakt tussen de tuchtrechtelijke uitspraken waarvan in het onderhavige geding sprake is, en strafarresten en strafvonnissen, moet de hiervoor in 3.3 aangehaalde overweging van het Hof aldus worden verstaan dat, op het voetspoor van deze overweging van de Hoge Raad, voor de toepassing van art. 838 deze tuchtrechtelijke uitspraken op één lijn moeten worden gesteld met arresten en vonnissen.

Voor zover onderdeel 1 ervan uitgaat dat het Hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de zienswijze dat de verzameling van tuchtrechtelijke uitspraken van het Hof van Discipline moet worden gezien als een openbaar register dat in de wet als zodanig is aangeduid of ten aanzien waarvan de wet heeft voorgeschreven dat het publiek op een bepaalde wijze van de inhoud daarvan kan kennis nemen, mist het derhalve feitelijke grondslag, zodat het in zoverre niet tot cassatie kan leiden.

Voor het overige faalt het onderdeel. Mede gelet op de huidige maatschappelijke opvattingen omtrent de openbaarheid van rechterlijke uitspraken en de beschikbaarheid daarvan voor het publiek, een en ander zoals beschreven in de conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels onder 2.17 - 2.29, moet worden aangenomen dat - op voorwaarde dat met het oog op de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer de anonimiteit van de bij de procedure betrokken personen gewaarborgd is - in beginsel geen bezwaar bestaat tegen het op verzoek verstrekken van afschriften van die uitspraken. Nu het in het onderhavige geval gaat om een bij de wet geregelde vorm van tuchtrechtspraak, heeft voor de uitspraken van het Hof van Discipline hetzelfde te gelden, zodat 's Hofs oordeel, verstaan als hiervoor weergegeven, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5 Anders dan onderdeel 2 aanvoert, behelst art. 58 Advocatenwet niet een specifieke aan art. 838 Rv. derogerende regeling. Art. 58 heeft betrekking op de verplichting aan de direct belanghebbenden bij een uitspraak een afschrift daarvan te verstrekken, maar noch uit de tekst noch uit de strekking van dit artikel kan worden afgeleid dat anderen dan de direct betrokkenen niet, al dan niet onder bepaalde voorwaarden, een afschrift van die uitspraken zouden mogen verkrijgen. Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.6 Onderdeel 3 strekt ten betoge dat, zo al art. 838 een voldoende basis vormt voor een aan WORM toe te kennen recht op inzage en/of afschrift van tuchtrechtelijke beslissingen van het Hof van Discipline, deze bepaling niet ziet op een algemeen recht op inzage of afschrift, maar slechts op de mogelijkheid op een daartoe strekkend verzoek afschrift van een of meer bepaalde beslissingen te verkrijgen.

Voor zover het onderdeel betrekking heeft op het recht op inzage van beslissingen, treft het doel. Art. 838 kent wel het recht toe een afschrift of uittreksel van rechterlijke uitspraken te verkrijgen, maar noch dit artikel noch enige andere wettelijke bepaling biedt een grondslag voor een recht op inzage. Dit een en ander strookt met art. 1.3.10 lid 2 van het door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken (Kamerstukken I, 2000 - 2001, 26 855 nr. 250), welke bepaling in beginsel wel een recht op het verkrijgen van een afschrift of uittreksel, maar niet een recht op inzage kent.

Voor het overige is het onderdeel tevergeefs voorgesteld. Indien afdoende maatregelen zijn getroffen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen, valt niet in te zien welke bezwaren van principiële aard zich verzetten tegen de verstrekking van afschriften van de uitspraken die in een bepaalde periode zijn gedaan, en het onderdeel noemt zodanige bezwaren ook niet. In verband met het in de toelichting op het onderdeel naar voren gebrachte bezwaar dat een zodanig recht op afschrift een aanzienlijke investering in menskracht en organisatie vergt, verdient nog opmerking dat het bestaan van dit recht niet impliceert dat de met de verwezenlijking daarvan gemoeide kosten, waaronder die van anonimisering, ten laste moeten komen van het gerecht dat de uitspraken heeft gedaan.

3.7 Het Hof heeft in rov. 6 en 7 van zijn arrest de klacht van de Staat met betrekking tot de door de President bevolen anonimisering gegrond bevonden en geoordeeld dat slechts volledig geanonimiseerde afschriften zijn toegestaan. In zoverre had het Hof het vonnis van de President behoren te vernietigen. De Hoge Raad zal, nu hij zelf de zaak kan afdoen, doen wat het Hof had behoren te doen en alsnog het vonnis van de President vernietigen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juni 1999, behoudens voor zover NOvA niet-ontvankelijk is verklaard in haar hoger beroep;

vernietigt het vonnis van de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 24 juni 1998 en verwijst het geding naar die President ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt WORM in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op ƒ 719,64 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren C.H.M. Jansen, A.E.M. van der Putt-Lauwers, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 29 juni 2001.