Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2248

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
02658/00 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2248
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 437
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 402
NJ 2001, 552 met annotatie van Y. Buruma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2001

Strafkamer

nr. 02658/00 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, van 30 mei 2000, parketnummer 20/000185-00, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 21 juli 1998 - de vordering van het Openbaar Ministerie afgewezen.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

Namens de betrokkene heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te ’s-Gravenhage, het cassatieberoep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Hof heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:

“Het openbaar ministerie is bij arrest van dit gerechtshof van 30 mei 2000 - met vernietiging van het beroepen vonnis - niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging in verband met - kort gezegd - schending van het in artikel 6 van het Verdrag van Rome bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn.

Nu verweerster niet is veroordeeld wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36 e van het Wetboek van Strafrecht, kan hem (de Hoge Raad leest: haar) reeds daarom de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, niet worden opgelegd en moet - na vernietiging van de beroepen beslissing - de vordering van het openbaar ministerie alsnog worden afgewezen”.

3.2. Het middel is klaarblijkelijk voorgesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het in ’s Hofs overweging bedoelde arrest van het Hof in de hoofdzaak op het daartegen ingestelde beroep in cassatie zal vernietigen.

Nu de Hoge Raad bij arrest van heden dat cassatieberoep heeft verworpen, is genoemde voorwaarde echter niet vervuld, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 juni 2001.