Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2247

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
02655/00/E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2247
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Boswet 3
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 14
Wetboek van Strafvordering 349
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 401
NJ 2001, 551 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2001

Strafkamer

nr. 02655/00/E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 30 mei 2000, Economische Kamer, parketnummer 20/000189-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 26 mei 1998 - het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging.

1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Namens de verdachte heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te ’s-Gravenhage, het cassatieberoep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM welke moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan:

(i) de verdachte, een rechtspersoon, heeft in 1978 een perceel grond in eigendom verkregen. Aan de eigendom van dat perceel was een verplichting verbonden tot herbeplanting van dat perceel;

(ii) het niet of niet op de juiste wijze voldoen aan die herbeplantingsplicht leidde tot een strafvervolging van de verdachte welke in 1982 eindigde met een vrijspraak waartegen door het Openbaar Ministerie geen hoger beroep is ingesteld;

(iii) bij brief van 19 december 1991, welke brief zich bij de stukken bevindt, heeft de Officier van Justitie aan de verdachte met betrekking tot het kadastrale perceel sectie H nr. 3706 het volgende geschreven:

“Met nadruk wijs ik u erop, dat u thans reeds in overtreding bent ter zake het bepaalde in artikel 3 lid 1 van de Boswet.

Ik stel u alsnog in de gelegenheid om vóór 1 mei 1992 te voldoen aan de herplantverplichting met betrekking tot de/het in uw eigendom toebehorend(e) perce(e)l(en).

(…)

Indien na voormelde datum blijkt dat u niet aan deze verplichting heeft voldaan, wordt door een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst proces-verbaal opgemaakt en zal ik u te zijner tijd dagvaarden om te verschijnen ter terechtzitting van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch”.

(iv) met betrekking tot de percelen G nr. 10 en H nrs. 55, 56, 1276, 1278, 2952, 2953, 2961 en 2962 heeft de Officier van Justitie bij brieven van 19 december 1991 aan de verdachte hetzelfde medegedeeld;

(v) de verdachte heeft omtrent de herbeplantingsplicht een administratiefrechtelijke procedure gevoerd, welke heeft geleid tot een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 27 december 1994; deze uitspraak hield in dat de wijze waarop door de rechtspersoon was herbeplant niet in overeenstemming was met de geldende voorschriften;

(vi) op 4 oktober 1995 zijn de bestuurders van de verdachte voor de eerste maal als verdachten gehoord;

(vii) de verdachte werd bij inleidende dagvaarding van 29 mei 1997 gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van de meervoudige economische strafkamer van de Rechtbank van 26 juni 1997;

(viii) de Rechtbank heeft, na enige schorsingen van het onderzoek ter terechtzitting, op 26 mei 1998 vonnis gewezen;

(ix) de verdachte en het Openbaar Ministerie hebben op 9 juni 1998 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis; nadat de stukken op 27 januari 2000 bij het Hof waren binnengekomen, heeft het Hof de zaak op 16 mei 2000 in hoger beroep behandeld;

(x) bij arrest van 30 mei 2000 heeft het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

3.3. Het Hof heeft een namens de verdachte gevoerd verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, in de bestreden uitspraak op de blz. 2 en 3 samengevat en gegrond bevonden.

3.4. De eerste klacht van het middel houdt in dat het Hof bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn een onjuist beginpunt heeft gehanteerd. Volgens de toelichting op het middel dient niet te worden uitgegaan - zoals het Hof deed - van 1 mei 1992, de datum waarop de termijn gesteld in de hiervoor genoemde brieven van 19 december 1991 afliep, maar van 4 oktober 1995, de datum waarop de bestuurders van de rechtspersoon voor het eerst als verdachten werden gehoord. In dat verband wordt aangevoerd dat alle bij inleidende dagvaarding van 29 mei 1997 tenlastegelegde feiten betrekking hebben op de periode van juli 1995 tot en met oktober 1995.

3.5. Bij de beoordeling van deze klacht is van belang dat de tenlastegelegde feiten achtereenvolgens zien op de hierna te noemen percelen:

(i) sectie F nrs. 58 en/of 59 (feit 1);

(ii) sectie F nrs. 61 en/of 62 (feit 2);

(iii) sectie H nr. 3706 (feit 3);

(iv) sectie G nr. 10 (feit 4);

(v) sectie H nrs. 2961, 2962, 2952, 2953, 55, 56, 1276 en/of 1278 (feit 5);

(vi) sectie H nr. 3767 en/of sectie F nr. 2858 (feit 6), en

(vii) sectie H nr. 2945 (feit 7).

3.6. Het Hof heeft ten aanzien van de in de brieven van 19 december 1991 genoemde percelen (de tenlastegelegde feiten 3,4 en 5) geoordeeld dat als beginpunt van de redelijke termijn dient te worden aangemerkt mei 1992, omdat de verdachte er toen vanuit mocht gaan dat zij ten aanzien van die percelen in rechte zou worden betrokken. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat die brieven inhouden dat de Officier van Justitie de verdachte in genoemde brieven een uiterste termijn stelde, waarbij vervolging in het vooruitzicht werd gesteld.

Ook ten aanzien van de niet in de brieven genoemde percelen (de feiten 1,2, 6 en 7) heeft het Hof geoordeeld dat als beginpunt van de redelijke termijn dient te worden aangemerkt mei 1992. Het Hof overwoog daartoe dat de verdachte in de omstandigheid dat zij in 1982 was vrijgesproken van feiten als de onderhavige, steun had gevonden voor haar opvatting dat haar bedrijfsvoering, voor wat betreft de wijze van herbeplanten van de percelen, toelaatbaar was en dat zij haar bedrijfsvoering daarop had ingesteld. Met het oordeel dat 1 mei 1992 ook voor de niet in de brieven genoemde percelen geldt als aanvangstijdstip van de redelijke termijn heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte aan de op 19 december 1991 gedane aankondiging redelijkerwijs de verwachting heeft kunnen ontlenen dat vervolging ook zou plaatsvinden terzake van (het voortzetten van) dezelfde strafbare gedraging, maar dan op andere percelen dan in de aankondiging genoemde. In aanmerking genomen dat het bij alle tenlastegelegde feiten gaat om hetzelfde verwijt, te weten het nalaten te voldoen aan de herbeplantingsverplichting in de zin van art. 3 van de Boswet, en dat het hier gaat om voortdurende delicten, is het oordeel van het Hof dat ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten, sprake is van één feitencomplex en dat derhalve ook voor wat betreft de niet in de brieven van 19 december 1991 genoemde percelen, als beginpunt van de redelijke termijn 1 mei 1992 heeft te gelden, niet onbegrijpelijk. Dat in de tenlastelegging telkens als delictperiode is genoemd juli 1995 tot en met oktober 1995, hetgeen samenhangt met de omstandigheid dat het hier om voortdurende delicten gaat, kan hieraan niet afdoen. Het middel komt tevergeefs tegen ’s Hofs oordeel op. Voorzover het middel nog een beroep erop doet dat ten aanzien van bepaalde tenlastegelegde feiten de overtreding van het niet voldoen aan de herplantplicht voor het eerst is ontstaan na 1 mei 1992, miskent het dat in cassatie niet voor het eerst een beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden die het Hof heeft vastgesteld en waarvan niet blijkt dat deze ter terechtzitting zijn aangevoerd, terwijl voorts ook uit de tenlastelegging niet onmiskenbaar volgt dat de gemaakte verwijten mede betrekking hebben op feiten waarbij de overtreding van de verplichting van herplanting na 1 mei 1992 is ontstaan.

3.7. De tweede klacht van het middel richt zich tegen de overweging van het Hof dat de Officier van Justitie weliswaar heeft aangevoerd dat het in dit soort zaken, indien een administratiefrechtelijke procedure is geëntameerd, gebruikelijk is met vervolgen te wachten totdat de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan, maar dat niet aannemelijk is geworden dat de Officier van Justitie aan de verdachte heeft kenbaar gemaakt dat om die reden vervolgingshandelingen werden uitgesteld. In de toelichting op deze klacht wordt betoogd dat bij brief van 30 oktober 1994 door de Officier van Justitie aan de verdachte is medegedeeld dat geen strafvervolging werd ingesteld in afwachting van de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Door deze brief in cassatie voor het eerst in het geding te brengen, miskent de klacht dat in cassatie niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden die bij het onderzoek in feitelijke aanleg niet zijn vastgesteld of aangevoerd. Ook deze klacht faalt derhalve.

3.8. Het oordeel van het Hof dat hier sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

3.9. De derde klacht houdt in dat het oordeel van het Hof dat de overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

3.10. Vooropgesteld moet worden dat bij het verbinden van rechtsgevolgen aan een overschrijding van de redelijke termijn voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is en dat gelet op dat uitzonderlijk karakter voor deze beslissing zware motiveringseisen gelden (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.23).

Blijkens de bestreden uitspraak heeft het Hof vastgesteld:

- dat de verdachte in 1982 is vrijgesproken van feiten als de onderhavige en dat zij haar bedrijfsvoering had afgestemd op de handelwijze die niet tot een veroordeling had geleid;

- dat zij het bedrijf in belangrijke mate had uitgebreid en aanzienlijke investeringen had gedaan;

- dat het voldoen aan de in de brieven van 19 december 1991 gestelde eisen zou neerkomen op aanpassing van de productiemethoden en een aanzienlijke inkrimping van de bedrijfsactiviteiten en dat zij gelet daarop een bijzonder belang had bij voortvarende behandeling van de in die brieven aangekondigde strafzaak om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de reeds lang aan de orde zijnde rechtsvraag, en

- dat niet is gebleken dat de verdachte ervan in kennis is gesteld dat zij niet zou worden vervolgd hangende de procedure bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

3.11. Het voorgaande in aanmerking genomen, alsmede het hiervoor onder 3.2 weergegeven procesverloop - waaronder de omstandigheid dat het na de uitspraak van het College van het beroep voor het Bedrijfsleven nog bijna tweeëneenhalf jaar heeft geduurd voordat de zaak ter terechtzitting van de Rechtbank aanhangig is gemaakt - geeft ’s Hofs oordeel dat in deze zaak een niet-ontvankelijk-verklaring moet volgen, geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. De laatste overweging van het Hof op blz.3 van zijn arrest is kennelijk een overweging ten overvloede, zodat het middel zich daartegen tevergeefs keert.

3.12. Het middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.13. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 juni 2001.