Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2239

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2001
Datum publicatie
31-07-2001
Zaaknummer
R00/034HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 387
NJ 2001, 436
RvdW 2001, 115
JWB 2001/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 juni 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/034HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De moeder], wonende te [woonplaats], Nederlandse Antillen,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

[De vader], wonende te [woonplaats], Nederlandse Antillen,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 8 oktober 1998 gedateerd verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen zittingsplaats Curaçao en verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, verweerder in cassatie - verder te noemen: de vader - te veroordelen om vanaf 1 oktober 1998 maandelijks en bij vooruitbetaling via de Voogdijraad te Curaçao aan de moeder te betalen de som van NAf 350,--, of zoveel meer of minder zoals het de rechter moge behagen toe te wijzen, zulks tot op de dag waarop de minderjarige zijn meerderjarigheid zal hebben bereikt.

De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij uitspraak van 4 februari 1999 de vordering van de moeder toegewezen.

Bij akte van 7 juni 1999 is de vader in verzet gekomen en heeft het Gerecht verzocht de bij verstek gegeven beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beschikken conform het door de vader gedane aanbod.

Bij beschikking van 26 augustus 1999 heeft het Gerecht het verzet gegrond verklaard en de beschikking van 4 februari 1999 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vader veroordeeld om maandelijks en bij vooruitbetaling met ingang van 1 juni 1999 aan de Voogdijraad te Curaçao te betalen het bedrag van NAf 150,--, zulks ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en de vader voorts veroordeeld om maandelijks en bij vooruitbetaling met ingang van 1 juni 1999 aan de Voogdijraad te Curaçao te betalen een bedrag van NAf 50,--, zulks totdat hij de achterstand in betalingen gedurende de periode 1 maart 1998 tot 1 juni 1999 heeft voldaan.

Tegen deze uitspraak heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.

Bij beschikking van 11 januari 2000 heeft het Gemeenschappelijk Hof de bestreden uitspraak vernietigd en, opnieuw rechtdoende, met ingang van 1 juni 1999 de kinderbijdrage op nihil gesteld, met dien verstande dat voorzover de vader vanaf die dag tot de dag van zijn beschikking meer heeft betaald of op hem is verhaald, de bijdrage tot de dag van zijn beschikking wordt bepaald op hetgeen door hem is betaald of op hem is verhaald en de vader veroordeeld om maandelijks en bij vooruitbetaling met ingang van 1 juni 1999 aan de Voogdijraad te Curaçao te betalen een bedrag van NAf 50,--, zulks totdat hij de achterstand in betalingen gedurende de periode 1 maart 1998 tot 1 juni 1999 heeft voldaan.

De uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal A.S. Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. [..] is de vader van [het kind], geboren op 13 april 1982 te [geboorteplaats]. [..] is de moeder van [het kind].

3.2 In het onderhavige geding heeft de moeder verzocht de vader te veroordelen om haar, via de Voogdijraad te Curaçao van 1 oktober 1998 af maandelijks een bedrag van NAf 350,-- aan kinderalimentatie voor [het kind] te betalen. Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij beschikking, die bij verstek is gegeven, dit verzoek toegewezen. Op het verzet van de vader heeft het Gerecht in Eerste Aanleg de beschikking vernietigd, de maandelijkse bijdrage van de vader vastgesteld op NAf 150,-- en de vader veroordeeld zijn achterstand te voldoen door middel van maandelijkse afbetalingen van NAf 50,--.

3.3 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft bij beschikking van 11 januari 2000 de bestreden uitspraak vernietigd en heeft de kinderbijdrage op nihil gesteld met ingang van 1 juni 1999, met dien verstande dat voorzover de vader vanaf deze dag tot de dag van zijn beschikking meer heeft betaald of op hem is verhaald, de bijdrage tot de dag van zijn beschikking wordt bepaald op hetgeen door hem is betaald of op hem is verhaald. Het heeft voorts de vader veroordeeld om maandelijks en bij vooruitbetaling met ingang van 1 juni 1999 aan de Voogdijraad te Curaçao te betalen een bedrag van NAf 50,--, zulks totdat hij de achterstand in betalingen gedurende de periode van 1 maart 1998 tot 1 juni 1999 heeft voldaan.

Het heeft daartoe als volgt overwogen. Het is aannemelijk dat de vader naast zijn AOV-uitkering slechts zeer beperkte inkomsten heeft - mede in verband met onkosten - uit zijn vissersboot en motorrijtuig. Zijn draagkracht laat niet de betaling van een kinderbijdrage toe. Het Hof acht het niet redelijk dat hij zijn vissersboot verkoopt, mede in aanmerking genomen dat deze boot aan het kind ter beschikking staat om vis te vangen, voorzover diens schooltijden dit toelaten. De bestreden uitspraak zal derhalve worden vernietigd. Aangezien alimentatie bestemd is om van maand tot maand te worden besteed, kan van de moeder niet in redelijkheid worden gevergd dat zij tot restitutie van het tot heden teveel ontvangene overgaat. De vader dient de achterstand sedert 1 maart 1998 met een bedrag van NAf 50,-- per maand af te betalen overeenkomstig de veroordeling door het Gerecht in Eerste Aanleg, welk oordeel geen deel uitmaakt van het hoger beroep (rov. 3.2 - 3.4).

3.4 Onderdeel A bevat de klacht dat het Hof heeft miskend dat op de Nederlandse Antillen zwaar wordt getild aan de verplichting om kinderbijdrage te betalen voor een minderjarig kind. Daartoe verwijst het onderdeel naar art. 272bis en 272ter SrNA, welke bepalingen het nalaten gevolg te geven aan een onherroepelijke rechterlijke veroordeling om levensonderhoud te verschaffen ten behoeve van een minderjarig kind strafbaar stellen. De klacht faalt, aangezien de vermelde wettelijke bepalingen, die ervan uitgaan dat de rechter een verplichting tot het betalen van levensonderhoud heeft vastgesteld, niet eraan in de weg staan dat de rechter de bijdrage in het levensonderhoud van een minderjarige op nihil stelt.

3.5 In onderdeel B wordt aangevoerd dat de Voogdijraad, aan wie betaald diende te worden, moest worden gehoord voordat een oordeel werd gegeven, zeker nu het een beslissing betreft waarbij de kinderbijdrage tot nihil wordt gereduceerd. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Indien ervan moet worden uitgegaan dat tussen [de vader] en het kind geen familierechtelijke betrekkingen bestaan, volgt weliswaar uit het ook in hoger beroep toepasselijke art. 711 l RvNA in verbinding met art. 469 BWNA dat de rechter, alvorens een einduitspraak te doen, de Voogdijraad hoort, maar noch uit de tekst van eerstgenoemde bepaling noch uit haar strekking volgt dat het horen van de Voogdijraad als zo essentieel moet worden beschouwd dat niet-inachtneming van het desbetreffende voorschrift tot vernietiging moet leiden.

3.6 Onderdeel C faalt. Het Hof heeft door te overwegen als hiervoor in 3.3 weergegeven zijn oordeel, ook in het licht van de in het onderdeel aangehaalde passages uit de gedingstukken voldoende gemotiveerd. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Het onderdeel kan ook overigens niet tot cassatie leiden, omdat de afweging en waardering van de factoren die de draagkracht van de man bepalen, zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In cassatie kan het bestreden oordeel van het Hof verder niet op juistheid worden getoetst.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 22 juni 2001.