Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2204

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
02864/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2204
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Opiumwet 3b
Wetboek van Strafvordering 350
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2001

Strafkamer

nr. 02864/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Breda van 25 maart 1999, parketnummer 02/015581-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko)op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Politierechter heeft de verdachte - voorzover in cassatie van belang - ter zake van 4. “handelen in strijd met het in artikel 3b, eerste lid, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Door of namens deze zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde, en de verdachte alsnog zal vrijspreken van het onder 4 tenlastegelegde. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1.1. Aan de verdachte is onder 4 tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 30 maart 1998, althans in de maand maart 1998, te Breda, in elk geval in Nederland, (telkens) een openbaarmaking, welke er kennelijk op is gericht de verkoop en/of aflevering en/of verstrekking van (een) middel(en) als bedoeld in artikel 2 en/of 3 van de Opiumwet te bevorderen, heeft verstrekt en/of laten verstrekken en/of verspreid en/of laten verspreiden en/of ter verspreiding in voorraad gehad, immers heeft verdachte, in de inrichting/het pand genaamd “Kingstone”, (telkens) ongeveer 60, althans een (restant) aantal (wegwerp)aanstekers met het opschrift “coffeeshop Kingstone Haven 18 te Breda” ter verspreiding in voorraad gehad”.

3.1.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:

“hij op 30 maart 1998 te Breda, (telkens) een openbaarmaking, welke er kennelijk op is gericht de verkoop en/of aflevering en/of verstrekking van (een) middel(en) als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet te bevorderen, ter verspreiding in voorraad heeft gehad, immers heeft verdachte, in het pand genaamd “Kingstone”, 60 (wegwerp)aanstekers met het opschrift “coffeeshop Kingstone Haven 18 te Breda” ter verspreiding in voorraad gehad”.

De Politierechter heeft de verdachte van hetgeen hem meer of anders is tenlastegelegd vrijgesproken.

3.2. De Politierechter heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als hiervoor onder 1 weergegeven.

Art. 3b, eerste lid, Opiumwet luidt:

“Elke openbaarmaking, welke er kennelijk op is gericht de verkoop,aflevering of verstrekking van een middel als bedoeld in art. 2 of 3 te bevorderen, is verboden”.

3.3. Uit hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2 en 4.3 uit de ontstaansgeschiedenis van art. 3b, eerste lid, Opiumwet is weergegeven, volgt dat met die bepaling is beoogd het aanprijzen van drugs strafbaar te stellen. Mede in het licht van die wetsgeschiedenis moet de term “openbaarmaking” aldus worden uitgelegd dat het daarbij gaat om een uiting en dat die uiting - die er kennelijk op is gericht de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs te bevorderen - feitelijk openbaar is gemaakt of onder het publiek is verspreid. Het enkele in voorraad hebben van geschriften of andere voorwerpen die op zichzelf geschikt zijn om aldus te worden aangewend wordt door die term niet bestreken.

3.4. Nu de bewezenverklaring niet meer inhoudt dan dat de verdachte “een openbaarmaking” in de vorm van 60 (wegwerp) aanstekers met opschrift ter verspreiding in voorraad heeft gehad, levert dit niet op overtreding van art. 3b, eerste lid, Opiumwet. Nu het bewezenverklaarde ook niet elders is strafbaar gesteld, behoort de verdachte, met vernietiging van de bestreden uitspraak, te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak voor wat betreft de strafbaarverklaring van hetgeen onder 4 is bewezenverklaard, de strafbaarverklaring van de verdachte terzake en de strafoplegging;

Ontslaat de verdachte terzake van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voor-zitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 juni 2001.