Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2202

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
02442/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2202
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet op het binnentreden 2
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 406
NJ 2001, 574 met annotatie van J. Riphagen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2001

Strafkamer

nr. 02442/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 27 maart 2000, parketnummer 24/000033-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissements-rechtbank te Groningen van 4 januari 1999, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van 1 "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van veertig uren, in plaats van één maand gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. L.A.M.G. Wellen, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof het namens de verdachte gedane beroep op onrechtmatige bewijsgaring op grond van het ontbreken van een schriftelijke machtiging tot het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, ten onrechte althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.

3.2. Het gaat in deze zaak om een verdachte ten laste van wie is bewezenverklaard dat hij op of omstreeks 21 mei 1998, in de gemeente Delfzijl, tezamen en in vereniging met een ander ongeveer 600 hennepplanten en ongeveer 160 gram hennep aanwezig heeft gehad.

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft de politie op die datum in het pand [a-straat 1] te [woonplaats], gemeente Delfzijl, een hennepkwekerij aangetroffen.

3.3. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota (met bijlagen) is aldaar namens de verdachte onder meer het verweer gevoerd dat het door de politie in genoemd pand vergaarde bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen op de grond dat dat pand - eigendom van de medeverdachte - door de verdachte werd bewoond en dat de politie daar is binnengetreden zonder de ingevolge art. 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden vereiste machtiging voor het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner.

3.4. Het Hof heeft dat beroep op onrechtmatige bewijsgaring als volgt verworpen:

“Gelet op de informatie die verbalisant Hoekstra op 21 mei 1998 van een hem onbekende man telefonisch had gekregen, inhoudende, dat zich in de woning [a-straat 1] te [woonplaats] een hennepkwekerij zou bevinden, dat de woning niet zou worden bewoond en dat de “kwekers” slechts af en toe in het pand aanwezig zouden zijn, in samenhang beschouwd met hetgeen de verbalisanten Hoekstra en Vink op 22 mei 1998, omstreeks 16.00 uur, rondom genoemd pand hadden waargenomen, te weten dat genoemd pand een klein boerderijtje betrof, dat diverse gordijnen gesloten waren, dat zich op het dak van de schuur een uitgang bevond, mogelijk een afzuiginstallatie betreffende en dat niet werd gereageerd op hun luid geschreeuw en op hun kloppen op de deur en ramen en/of op hun aanbellen, is het hof van oordeel:

1. dat genoemde verbalisanten er van mochten uitgaan dat genoemd pand niet werd bewoond, zodat niet sprake was van een woning en een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden dan ook niet was vereist,

2. dat er redelijkerwijze vermoed kon worden dat in genoemd pand een overtreding van de Opiumwet zou worden gepleegd en

3. dat genoemde verbalisanten derhalve - op grond van artikel 9 van de Opiumwet - genoemd pand mochten binnentreden.

Op grond van het vorenstaande verwerpt het hof het beroep”.

3.5. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.

Ingevolge art. 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden is, behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen, voor het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist.

De wetgever heeft bij de totstandkoming van die wet ervan afgezien het begrip “woning” te definiëren. De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel dat tot genoemde wet heeft geleid houdt dienaangaande het volgende in:

“Over het begrip woning valt het volgende op te merken. Het grondrecht van de onschendbaarheid van de woning beschermt de huisvrede, dat wil zeggen het ongestoord verblijf in een ruimte die tot exclusief verblijf voor een persoon of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende personen ingericht en bestemd is. Het huisrecht strekt tot bescherming van dit ongestoorde gebruik.(…).

Of een ruimte een woning is, wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke kenmerken zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar ook door de daadwerkelijk daaraan gegeven bestemming.(…).

Als vaststaand kan worden aangenomen, dat tijdelijke afwezigheid van de bewoner(…) er niet toe leidt dat de ruimte het karakter van woning verliest (vgl. HR 4 januari 1972, NJ 1972,121)”. (Kamerstukken II 1984-1985, 19073, nrs. 1-3, blz. 20).

Voorts houdt de Memorie van Antwoord op genoemd wetsvoorstel op dit punt het volgende in:

“Wij zijn van oordeel dat het onverstandig zou zijn om het begrip woning in een wettelijke bepaling in dit wetsvoorstel nader te definiëren. Zo’n omschrijving zou óf globaal zijn en daardoor nauwelijks toegevoegde waarde hebben óf juist specifiek, waardoor het risico zou kunnen ontstaan dat de omschrijving naar achteraf moet worden vastgesteld te eng of te ruim is. Wij zijn van mening dat het begrip woning voldoende houvast biedt. De rechter kan zo nodig - afhankelijk van de concrete omstandigheden op dat moment - vaststellen of er al dan niet sprake is van binnentreden van een woning. Wanneer de ambtenaar die wenst binnen te treden, vooraf in onzekerheid verkeert of de door hem te betreden plaats een woning is, doet hij er verstandig aan het zekere voor het onzekere te nemen en de voor het binnentreden in woningen in acht te nemen voorschriften na te leven”.

(Kamerstukken II 1988-1989, 19 073, nr. 5, blz. 12).

3.6. Het Hof heeft de vraag of in het onderhavige geval sprake was van een woning als bedoeld in art. 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden ontkennend beantwoord. Daarbij heeft het beslissend geacht of de verbalisanten - op grond van hun toen bekende omstandigheden - ervan mochten uitgaan dat het desbetreffende pand niet werd bewoond.

Aldus heeft het Hof een onjuiste maatstaf aangelegd. In het licht van het belang dat de Algemene wet op het binnentreden beoogt te beschermen en tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 3.5 uit de ontstaansgeschiedenis van die wet is weergegeven, dient de vraag of van een woning in genoemde zin sprake was, door de rechter te worden beantwoord op grond van hetgeen hij bij het onderzoek ter terechtzitting vaststelt omtrent het desbetreffende pand ten tijde van het binnentreden.

3.7. Het vorenstaande brengt mee dat het middel doel treft en dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Na verwijzing zal het Hof volgens de hiervoor onder 3.6 aangegeven maatstaf dienen te onderzoeken of het desbetreffende pand ten tijde van het binnentreden daarvan door de verbalisanten als een woning had te gelden.

Indien het hof tot het oordeel komt dat sprake is geweest van het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner en zonder dat de daarvoor bij de Algemene wet op het binnentreden gestelde voorschriften zijn nageleefd, zal het, gelet op het bepaalde in art. 359a Sv, onder ogen dienen te zien of aan dat verzuim enig gevolg moet worden verbonden.

Voor bewijsuitsluiting is daarbij in beginsel geen plaats indien de verbalisanten op grond van de wijze waarop dat pand zich aan hen aandiende en hetgeen hen overigens omtrent dat pand bekend was en kon zijn redelijkerwijze hebben mogen aannemen dat van een woning geen sprake was.

In verband met dat laatste verdient nog opmerking dat het in de bestreden uitspraak vervatte oordeel van het Hof dat de verbalisanten mochten aannemen dat van een woning geen sprake was, niet zonder meer begrijpelijk is, in aanmerking genomen dat de aan de verbalisanten gedane mededeling dat het pand niet werd bewoond afkomstig was van een onbekende terwijl hetgeen het Hof ter motivering van dat oordeel overigens heeft vastgesteld - hiervoor onder 3.4 weergegeven - onvoldoende steun geeft aan de juistheid van die mededeling.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 juni 2001.