Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2200

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
02323/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2200
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 283
Wetboek van Strafvordering 438
Wetboek van Strafvordering 439
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 403
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2001

Strafkamer

nr. 02323/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 april 2000, parketnummer 20/001738-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats] (België), zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 4 maart 1999, waarbij het Openbaar Ministerie niet- ontvankelijk is verklaard in het recht tot strafvervolging van de verdachte, bevestigd met aanvulling van gronden.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte, mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, heeft het cassatieberoep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Gerechtshof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van een verzoek gedaan bij de op 8 december 2000 ingekomen schriftelijke tegenspraak van het cassatieberoep

3.1. De raadsman van de verdachte heeft in het door hem als verweerschrift aangeduide schrijven van 7 december 2000, dat op 8 december 2000 ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen, het cassatieberoep van de Advocaat-Generaal bij het Hof tegengesproken. De laatste zin van dit verweerschrift luidt:

“Ondergetekende verzoekt Uw Raad overigens om een extra termijn om zonodig dit geschrift aan te vullen, aangezien de termijn die thans na aanzegging van de rechtsdag gegund was zich niet verdraagt met artikel 6 EVRM, in het bijzonder niet met het bepaalde omtrent voldoende tijd voor voorbereiding van de verdediging”.

3.2. Vooropgesteld moet worden dat een verzoek tot het stellen van een nadere termijn moet worden gedaan bij de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad (de rolrechter).

Een dergelijk verzoek kan niet worden gedaan bij een schriftelijke toelichting waarin het cassatieberoep van het openbaar ministerie wordt tegengesproken. De rolrechter neemt immers slechts kennis van de indiening van een dergelijke schriftelijke toelichting en niet van de inhoud daarvan (vgl. HR 19 december 2000, NJ 2001, 83, rov. 3.4).

3.3. Van de gestelde schending van art. 6 EVRM in de cassatiefase is geen sprake in aanmerking genomen:

a) dat ingevolge art. 438, tweede lid aanhef en onder a, Sv de mogelijkheid bestaat om het ingestelde beroep mondeling ter terechtzitting tegen te spreken en

b) dat ingevolge het bepaalde in art. 439, vijfde lid, Sv de conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad aan de raadsman wordt toegezonden, die daarop binnen twee weken schriftelijk commentaar kan geven.

3.4. Gelet op het vorenoverwogene moet aan de inhoud van het verzoek van de raadsman worden voorbijgegaan.

4. Beoordeling van de middelen

4.1. Het eerste middel klaagt dat het Hof de beslissing van de Rechtbank niet had mogen bevestigen “zonder dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid werd gesteld uitvoerig het standpunt van het Openbaar Ministerie omtrent de eigen ontvankelijkheid te onderbouwen”. Het tweede middel klaagt dat de bestreden uitspraak ontoereikend is gemotiveerd.

De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.2. Het gaat in deze zaak om het volgende

4.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft de raadsman aldaar op de voet van art. 283, eerste lid, Sv, bij wijze van preliminair verweer aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt voorts in dat de Officier van Justitie naar aanleiding van dit verweer heeft opgemerkt:

“Voor het overige wil ik niet nu maar pas na de behandeling van de feiten inhoudelijk reageren. De tenlastelegging is opgebouwd uit andere feiten dan oorspronkelijk de bedoeling van het openbaar ministerie was. (…) Het onderzoek mocht door het openbaar ministerie worden omgebogen toen in het SFO strafbare feiten aan het licht kwamen. Ik bepleit dat het verweer van de raadsman thans zal worden gepasseerd. Ik zal er in mijn requisitoir op terugkomen en in de strafmaat ernstig rekening houden met eventueel opgelopen schade”.

4.2.2. De Rechtbank heeft het preliminaire verweer als volgt samengevat en naar aanleiding daarvan overwogen:

“Ter zitting van 4 maart 1999 heeft de raadsman in zijn preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het recht tot strafvervolging van verdachte. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

Vanaf medio 1993 is er een oriënterend onderzoek naar de betrokkenheid van [verdachte] en/of de bedrijven waarvan hij directeur en/of aandeelhouder was bij gepleegde strafbare feiten. In verband daarmee werd een rechercheteam samengesteld met de codenaam RI-92. Het onderzoek leverde onvoldoende op om actie tegen [verdachte] te ondernemen door bijvoorbeeld huiszoeking toe te passen. Tijdens dat oriënterende onderzoek werd toevalligerwijs door de FIOD, afdeling Douanerecherche, team Weert, een onderzoek ingesteld tegen [C] BV uit [vestigingsplaats], omdat dit bedrijf ervan werd verdacht in de periode van 8 september 1993 tot 11 december 1993, gebruik te hebben gemaakt van vervalste T-1 formulieren inzake het vervoer van grote partijen sigaretten vanuit Rotterdam naar diverse bestemmingen in Spanje. Op basis daarvan vinden op 6 juni 1994 huiszoekingen plaats op een groot aantal plaatsen. Er wordt niet in beslag genomen die administratie die betrekking heeft op de verdenking, namelijk vervalste Tl-formulieren in de periode van september tot en met december 1993 van [C] BV, maar alle administratie en boekhouding vanaf 1990 van alle bedrijven van [verdachte], ook die bedrijven die in het geheel niets met transport te maken hebben, worden in beslag genomen, welke administratie en boekhouding in handen van onderzoeksteam RI-92 komt. In het rechtshulpverzoek aan Engeland d.d. 7 december 1994 staat iets heel anders. De huiszoeking van 6 juni 1994 in het kader van een op 27 mei 1994 geopend SFO zou zijn gericht tegen [verdachte], verdachte en [B] BV, waarbij [C] niet wordt genoemd. Die huiszoeking zou gegevens opleveren die doen vermoeden dat in het faillissement March is gerommeld. Niet duidelijk is welke stukken dat vermoeden hebben doen rijzen. Voor de overdracht wordt als reden opgevoerd: Door het onderzoeksteam RI-92 werd een onderzoek ingesteld in de in beslag genomen administratie teneinde het wederrechtelijk verkregen voordeel te kunnen bepalen met het oog op de ontneming daarvan. In het proces-verbaal is niet inzichtelijk gemaakt dat onderzoeksteam RI-92 tevens dient te functioneren als regionaal PLUKZE-team ten behoeve van de FOID in Weert. De strafzaak betreffende het FIOD-onderzoek is geseponeerd en het onderzoeksteam RI-92 komt met een nieuw fraude-onderzoek. Zo er al niet sprake is van abus de pouvoir, dan toch tenminste van détournement de pouvoir. De gegevens waarop het onderzoek is gegrond dat heeft geleid tot de huidige tenlastelegging zijn gegevens verkregen middels het FIOD-beslag en mitsdien kan een vervolgend orgaan niet worden ontvangen wanneer het stukken heeft verkregen waar het geen recht op had. Er is geen sprake van een met het Geweerarrest uit 1935 vergelijkbare situatie. De stukken waarover de FIOD beschikte, waren voor de FIOD geen aanleiding te vermoeden dat andere strafbare feiten waren gepleegd, maar zijn overgegeven aan een onderzoeksteam dat zelf in verband met onvoldoende verdenking niet gerechtigd was diezelfde stukken krachtens huiszoeking in beslag te nemen. Pas na verkrijging van deze stukken heeft dit onderzoeksteam daaruit strafbare feiten gedestilleerd.

De rechtbank is van oordeel dat er omstandigheden zijn, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan, om welke reden de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in het recht tot strafvervolging van verdachte. De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen:

Medio 1993 start het rechercheteam RI-92 met een oriënterend onderzoek naar strafbare feiten - kort gezegd - gepleegd door [verdachte].

Het is de rechtbank niet duidelijk geworden wat de aanleiding was om tot dat oriënterende onderzoek over te gaan, welke vermoedelijk gepleegde strafbare feiten het betrof en wat het rechercheteam in het kader van dat onderzoek voor activiteiten heeft ontwikkeld.

Het is voor de rechtbank ook onduidelijk gebleven wat de aanleiding was voor de FIOD om een onderzoek in te stellen naar [C] en hoe de verdenking dat dit bedrijf bij het plegen van strafbare feiten betrokken was, tot stand is gekomen.

Op 6 juni 1994 vindt bij [verdachte] en zijn bedrijven een aantal huiszoekingen plaats. Onduidelijk is voor de rechtbank wat de grondslag was om de administratie van àl die bedrijven en niet alleen van die waartegen het SFO was ingesteld, in beslag te nemen en op welk moment en op welke grond deze administratie naar het rechercheteam RI-92 is gegaan, In dit kader is ook van belang dat het onduidelijk is gebleven wanneer bekend is geworden dat de verdenking, namelijk vervalste Tl-formulieren in de periode van september t/m december 1993 van [C] BV, niet tot vervolging zou leiden.

Aldus zijn belangrijke vragen gerezen omtrent de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek dat tot de tenlastegelegde feiten heeft geleid. Bij gebreke van de daarvoor noodzakelijke informatie is de rechtbank niet in staat de rechtmatigheid van dit onderzoek te controleren, om welke reden het verweer van de raadsman zal worden gehonoreerd en de officier van justitie niet ontvankelijk zal worden verklaard in het recht tot strafvervolging van verdachte”.

4.2.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een appèlmemorie van de Officier van Justitie, gedateerd 21 juni 1999 en een “relaas van bevindingen”, van de landelijk coördinerend Officier van Justitie van 6 december 1999, dat in de aanhef inhoudt dat het als aanvulling dient op bovengenoemde appèlmemorie; het behelst vervolgens een toelichting op de in de onderhavige zaak verrichte gerechtelijke vooronderzoeken en strafrechtelijke financiële onderzoeken. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar door de voorzitter de korte inhoud van genoemde stukken mondeling meegedeeld.

4.2.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de Advocaat-Generaal zich aldaar - zakelijk weergegeven - primair op het standpunt gesteld dat in de door de Rechtbank aan de beslissing gegeven motivering “het element van doelbewustheid/grove veronachtzaming ontbreekt”, subsidiair dat de eerste rechter zonder nader onderzoek niet tot die beslissing had mogen komen en meer subsidiair dat hij in de gelegenheid zou willen worden gesteld “door hem opgegeven” getuigen te horen “teneinde verbanden tussen processtukken duidelijk te maken die niet bij voorbaat uit de betreffende processen-verbalen voortvloeien”.

4.2.3. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak het vonnis van de Rechtbank met aanvulling van gronden bevestigd, daartoe overwegende:

“Gelet op het verweer van de raadsman en de reactie daarop van de officier van justitie zoals hierboven weergegeven, verstaat het hof de door de rechtbank gegeven motivering aldus, dat de rechtbank daarin tot uitdrukking heeft willen brengen dat de officier van justitie door zijn opstelling -zowel vóór als tijdens de zitting- en met name het gebrek aan bereidheid om (tijdig) opheldering over de door de rechtbank in het voetspoor van de verdediging gesignaleerde onduidelijkheden te verschaffen, in casu de belangen van de verdachte zodanig heeft veronachtzaamd dat tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een behoorlijke behandeling van zijn zaak, hetgeen moet leiden tot niet-ontvankelijk-verklaring van de officier van justitie in de vervolging. Op deze wijze aangevuld is de motivering van de rechtbank inzichtelijk en wordt deze door het hof onderschreven. Mitsdien zal het hof het vonnis van de rechtbank bevestigen met aanvulling van gronden”.

4.3. Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld.

In art. 283 Sv is voorzien in de bevoegdheid van de verdachte om bij wijze van preliminair verweer onder meer de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in te roepen in een geval waarin die niet-ontvankelijkheid zonder nader onderzoek van de zaak kan blijken. Indien dat verweer door de rechter ontijdig of ongegrond wordt bevonden, wordt ingevolge het vijfde lid van art. 283 Sv het onderzoek der zaak zelf onmiddellijk voortgezet.

Wordt een zodanig verweer - zoals in het onderhavige geval - door de rechter in eerste aanleg gegrond bevonden, dan zal, indien tegen die beslissing hoger beroep wordt ingesteld, de rechter in hoger beroep de tijdigheid en gegrondheid van het verweer zelfstandig en in volle omvang dienen te onderzoeken.

4.4. Het oordeel van het Hof “dat de officier van justitie door zijn opstelling - zowel vóór als tijdens de zitting - en met name het gebrek aan bereidheid om (tijdig) opheldering over de door de rechtbank in het voetspoor van de verdediging gesignaleerde onduidelijkheden te verschaffen” is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg de Officier van Justitie aldaar heeft verklaard dat hij “niet nu, maar pas na de behandeling van de feiten” inhoudelijk op het verweer wilde reageren, hetgeen bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat de Officier van Justitie van oordeel was dat de al dan niet gegrondheid van het verweer niet zonder nader onderzoek van de zaak zou kunnen blijken, terwijl uit dat proces-verbaal niet blijkt dat de Rechtbank, niettegenstaande dat door de Officier van Justitie ingenomen, kennelijk van haar oordeel afwijkende, standpunt, aan deze heeft verzocht zich reeds in het kader van de behandeling van het door de raadsman gevoerde preliminaire verweer uit te laten omtrent het verweer en de dienaangaande bij de Rechtbank gerezen vragen.

Voorts valt gelet op het verhandelde in eerste aanleg en in hoger beroep niet zonder meer in te zien op grond waarvan het Hof heeft geoordeeld dat van enig gebrek aan bereidheid van de zijde van de Officier van Justitie om nadere opheldering te verschaffen reeds vóór de terechtzitting in eerste aanleg sprake is geweest.

4.5. Daarbij komt nog het volgende. In aanmerking genomen dat het Openbaar Ministerie ter aanvulling van de appèlmemorie het hiervoor onder 3.2.3 aangeduide relaas van bevindingen had overgelegd en daarmee klaarblijkelijk ten aanzien van de onderzoeken waaromtrent bij de Rechtbank vragen waren gerezen al meer informatie had verschaft dan waarover de Rechtbank beschikte en gelet op het hiervoor onder 3.2.4 weergegeven, in hoger beroep gedane verzoek van de Advocaat-Generaal, dat onmiskenbaar strekte tot het verkrijgen van nadere opheldering omtrent bedoelde vragen, had het Hof het vonnis van de Rechtbank niet mogen bevestigen zonder nader aan te geven waarom het dienaangaande niet alsnog nader onderzoek geboden achtte.

Voorzover het Hof in dat verband mocht hebben geoordeeld dat het niet gehouden was de tijdigheid en de gegrondheid van het verweer zelfstandig en in volle omvang te onderzoeken, heeft het miskend hetgeen hiervoor onder 3.3 is vooropgesteld.

4.6. De middelen zijn dus terecht voorgesteld.

5. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 juni 2001.