Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2174

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2001
Datum publicatie
30-07-2001
Zaaknummer
C99/239HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 223
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 375
NJ 2001, 435
RvdW 2001, 112
JWB 2001/172
JOR 2001/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 juni 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/239HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

WE VASTGOED B.V., gevestigd te Utrecht,

EISERES tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. F.J. de Vries, thans mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

t e g e n

VIB NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.C. van Oven.

1. Het geding in voorgaande instanties

De Hoge Raad verwijst voor het verloop van dit geding tussen thans eiseres tot cassatie - verder te noemen: WE -, thans verweerster in cassatie - verder te noemen: VIB - en Innovest N.V. (hierna: Innovest) naar zijn arrest van 10 mei 1996, nr. 15991, NJ 1996, 670.

Bij dat arrest heeft de Hoge Raad:

in het principale beroep:

WE niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep voor zover gericht tegen Innovest;

in het principale en in het incidentele beroep:

het vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 15 februari 1995 vernietigd, behoudens voor wat betreft de daarin vervatte gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter te Alphen aan den Rijn van 24 augustus 1993 en de compensatie van de kosten van het hoger beroep;

het vonnis van die Rechtbank van 31 augustus 1994 vernietigd voor wat betreft de in rechtsoverweging 4.12 van dit vonnis neergelegde oordelen;

het voormelde vonnis van de Kantonrechter te Alphen aan den Rijn vernietigd, behoudens voor wat de daarin vervatte benoeming van de deskundigen betreft; en

het geding naar die Kantonrechter verwezen ter verdere behandeling en beslissing.

Nadat de Bedrijfshuuradviescommissie - verder te noemen: BHAC - op 11 juni 1997 advies inzake de huurprijsvaststelling had uitgebracht aan de Kantonrechter, hebben partijen ieder een conclusie na deskundigenbericht genomen. De Kantonrechter heeft bij vonnis van 30 september 1997 een comparitie van partijen gelast en daarbij tevens de verschijning van de leden van de BHAC bevolen. Na comparitie van partijen op 5 februari 1998, heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 31 maart 1998:

(1)de huurprijs van de bedrijfsruimte staande en gelegen te Alphen aan den Rijn, "De Aarhof" no 19, vastgesteld op ƒ 196.020,-- exclusief BTW per jaar, althans op ƒ 600,-- per herleide vierkante meter, althans op ƒ 514,49 per feitelijke vierkante meter;

(2)WE veroordeeld tot betaling van die nieuw vastgestelde huurprijs, en wel in vier gelijke kwartaaltermijnen bij vooruitbetaling te voldoen en te vermeerderen met de contractuele indexeringen voor zover daarvan in de loop van de procedure sprake mocht zijn en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata.

Tegen de vonnissen van de Kantonrechter van 30 september 1997 en 31 maart 1998 heeft WE hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage. Zij heeft gevorderd:

1. in het hoger beroep tegen Innovest N.V.:

a. primair, WE niet-ontvankelijk te verklaren, op de grond dat Innovest niet bestaat en aan de twee beroepen vonnissen geen rechten kan ontlenen;

b. subsidiair, de vonnissen waarvan beroep tussen WE en Innovest gewezen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Innovest alsnog in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren althans haar deze te ontzeggen;

2. in het hoger beroep tegen VIB:

indien en voor zover VIB als rechtsopvolgster van Innovest aan de voormelde twee beroepen vonnissen jegens WE rechten kan ontlenen, die vonnissen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, VIB als rechtsopvolgster van Innovest alsnog in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen.

Bij vonnis van 31 maart 1999 heeft de Rechtbank de bestreden vonnissen bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft WE beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

VIB heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank van 31 maart 1999 en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad zelf, door het vonnis van de Kantonrechter van 31 maart 1998 te vernietigen voor zover daarin een veroordeling tot betaling van de nieuw vastgestelde huurprijs, te vermeerderen met de contractuele indexeringen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata, is opgenomen, en voor het overige te bekrachtigen.

De advocaat van WE heeft bij brief van 3 april 2001, en de advocaat van VIB heeft bij brief van 6 april 2001 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Met betrekking tot de feiten en omstandigheden waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, verwijst de Hoge Raad naar hetgeen is overwogen in rov. 4.1 van zijn hiervoor in 1 genoemde arrest van 10 mei 1996. Bij dit arrest heeft de Hoge Raad na vernietiging van het bestreden vonnis van de Rechtbank en van het vonnis van de Kantonrechter te Alphen aan den Rijn, een en ander zoals hiervoor in 1 weergegeven, het geding verwezen naar die Kantonrechter ter verdere behandeling en beslissing.

Nadat de BHAC advies over de huurprijsvaststelling had uitgebracht en een bij tussenvonnis van 30 september 1997 bevolen comparitie van partijen had plaatsgevonden, heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 31 maart 1998, gewezen tussen WE en Innovest, de huurprijs vastgesteld op ƒ 196.020,-- exclusief BTW per jaar, althans op ƒ 600,-- per herleide m2, althans op ƒ 514,49 per feitelijke m2. De Rechtbank heeft beide vonnissen bekrachtigd. Hiertegen richt zich het middel.

3.2 Bij de dit geding inleidende dagvaarding heeft Innovest zich tot de Kantonrechter gewend met de vordering de huurprijs nader vast te stellen. Hangende de procedure in hoger beroep heeft op 2 januari 1995 op de voet van art. 2:312 BW een fusie plaatsgevonden tussen Innovest en VIB, waarbij VIB als verkrijgende vennootschap het vermogen van Innovest als verdwijnende vennootschap onder algemene titel heeft verkregen. In verband daarmee is WE bij voormeld arrest van 10 mei 1996 niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep, voor zover gericht tegen Innovest.

In het thans in cassatie bestreden vonnis heeft de Rechtbank appelgrief I van WE ongegrond bevonden en geoordeeld dat de Kantonrechter Innovest terecht als procespartij heeft aangemerkt (rov. 5.3). Onderdeel 1, dat dit oordeel als onjuist bestrijdt, is tevergeefs voorgesteld. Na de verwijzing door de Hoge Raad van het geding naar de Kantonrechter is het geding bij die instantie heropend om te worden voortgezet en verder te worden berecht met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad (vgl. art. 424 Rv.). De situatie die is ontstaan doordat een als procespartij optredende rechtspersoon intussen als gevolg van een fusie is verdwenen en is opgegaan in een andere rechtspersoon, verschilt niet wezenlijk van het geval waarin zodanige fusie zich hangende het geding bij de Kantonrechter zou hebben voorgedaan. In laatstbedoeld geval zou de rechtsopvolger het geding in die instantie onder eigen naam hebben kunnen voortzetten, maar het geding in die instantie zou door haar ook op naam van de oorspronkelijke procespartij kunnen zijn voortgezet. Aangenomen moet dan ook worden dat ook in een geval als het onderhavige het geding na verwijzing op naam van de oorspronkelijke procespartij - Innovest - kon worden voortgezet.

3.3 Omtrent het verloop van de procedure na de verwijzing door de Hoge Raad heeft de Kantonrechter in zijn vonnis van 30 september 1997 het volgende vastgesteld. Bij brief van de gemachtigde van Innovest van 1 november 1996 heeft de Kantonrechter een kopie van het arrest van de Hoge Raad toegezonden gekregen met het verzoek de verdere behandeling te laten plaatsvinden. De griffier van het Kantongerecht heeft vervolgens bij brief van 13 november 1996 de BHAC een kopie van het arrest gezonden met het verzoek om - met inachtneming van hetgeen in dit arrest is overwogen en beslist - rapport op te maken en de Kantonrechter van advies te dienen. Op 13 juni 1997 heeft de Kantonrechter het advies van de BHAC ontvangen met een begeleidend schrijven, gedateerd 11 juni 1997, waarin onder meer is vermeld dat aan partijen met gelijke post een afschrift van het advies is verzonden. Zowel Innovest als WE heeft zich bij akte omtrent het rapport uitgelaten.

Na te hebben vermeld dat WE grote bezwaren heeft tegen de voor haar onduidelijke weg om tot het uitbrengen van het advies te komen, en tegen de door de BHAC gevolgde procedure en de inhoud van het advies, heeft de Kantonrechter geoordeeld dat hij door het uitgebrachte advies niet voldoende is ingelicht. De Kantonrechter heeft een comparitie van partijen gelast en de leden van de BHAC, die het rapport hebben uitgebracht, bevolen voor hem te verschijnen om een nadere toelichting en/of aanvulling op het rapport te geven.

In zijn eindvonnis van 31 maart 1998 heeft de Kantonrechter overwogen dat ter comparitie de leden van de BHAC het uitgebrachte advies nader hebben toegelicht, en dat partijen vragen hebben kunnen stellen en opmerkingen hebben kunnen maken.

3.4 In haar appelgrief II heeft WE geklaagd dat de zaak na verwijzing is voortgezet zonder enige voorafgaande oproep van de zijde van Innovest dan wel van het Kantongerecht en zonder dat WE in de gelegenheid is gesteld gebruik te maken van haar recht de zaak opnieuw te doen bepleiten.

De Rechtbank heeft deze grief ongegrond bevonden. Zij heeft daartoe overwogen dat partijen na het uitbrengen van het advies ieder een akte hebben genomen en dat zij bij gelegenheid van de comparitie nog opmerkingen over het advies hebben kunnen maken en hun standpunten hebben kunnen toelichten. Op grond daarvan heeft zij geoordeeld dat de stelling van WE dat zij na verwijzing geen gelegenheid heeft gehad haar standpunt te bepleiten feitelijke grond mist. Kennelijk heeft zij met dit een en ander tot uitdrukking gebracht dat, nu door het verwijzende arrest van de Hoge Raad vaststond dat de BHAC advies moest uitbrengen en in welk opzicht de aanwijzingen aan de BHAC aanpassing behoefden, het gebrek dat aan het vonnis van de Kantonrechter wordt verweten afdoende is hersteld, doordat WE na het advies nog gelegenheid heeft gekregen haar zienswijze naar voren te brengen en de Kantonrechter daarin aanleiding had kunnen vinden nadere vragen aan de deskundigen voor te leggen. In het licht van de omstandigheid dat WE in hoger beroep niet heeft gesteld dat zij bij die gelegenheid haar stellingen had willen aanpassen, geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet ontoereikend gemotiveerd. Onderdeel 3 faalt derhalve.

3.5 Onderdeel 2 bestrijdt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht het oordeel van de Rechtbank dat het, kennelijk mede aan appelgrief II ten grondslag liggende, standpunt dat de voortzetting van de procedure na verwijzing door een oproeping of dagvaarding dient te worden ingeleid, "in zijn algemeenheid onjuist" is. Dit oordeel moet aldus worden verstaan dat weliswaar als uitgangspunt heeft te gelden dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de wederpartij van degene die na verwijzing de zaak bij de rechter aanbrengt, door een dagvaarding of oproeping op de hoogte dient te zijn gebracht van de voortzetting van het geding, maar dat op dit uitgangspunt uitzonderingen denkbaar zijn. De rechtsklacht faalt omdat dit oordeel van de Rechtbank, aldus verstaan, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Met de uitzonderingen waarop de Rechtbank aldus het oog heeft, heeft zij kennelijk mede gedoeld op de situatie zoals deze zich hier heeft voorgedaan. De hierop betrekking hebbende motiveringsklacht is, gelet op hetgeen hiervoor naar aanleiding van onderdeel 3 is overwogen, eveneens tevergeefs voorgesteld.

3.6 Onderdeel 4 richt zich tegen de verwerping door de Rechtbank van appelgrief IX van WE, waarin zij erover klaagde dat de BHAC partijen niet in de gelegenheid had gesteld op de voet van art. 223 lid 5 Rv. opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Deze omstandigheid staat evenwel niet in alle gevallen eraan in de weg dat de rechter het deskundigenbericht aan zijn beslissing ten grondslag legt. In aanmerking genomen dat vóór verwijzing een uitvoerig debat tussen partijen aan het onderzoek door de BHAC is voorafgegaan, en dat partijen de gelegenheid hebben gehad na het uitbrengen van het advies een akte te nemen en bij gelegenheid van de door de Kantonrechter bevolen comparitie opmerkingen over het advies te maken, geeft het oordeel van de Rechtbank dat aan de processuele belangen van WE niet is tekortgedaan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel behoefde ook geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.

3.7 Bij de beoordeling van onderdeel 5 moet worden vooropgesteld dat deskundigen binnen de grenzen van hun opdracht de nodige vrijheid hebben hun onderzoek op de wijze te verrichten die hun het beste voorkomt. Anders dan het onderdeel veronderstelt heeft de Rechtbank bij haar overweging dat de BHAC een grote beleidsvrijheid toekomt bij de keuze van vergelijkingspanden, niet uit het oog verloren dat die vrijheid begrensd is door de aard van de opdracht, die meebrengt dat de BHAC ernaar moet streven de wat betreft ligging en oppervlakte meest geschikte panden in haar onderzoek te betrekken, alsmede door de aanwijzingen die de Hoge Raad in zijn verwijzingsarrest heeft gegeven. Zulks blijkt uit rov. 5.12 - 5.15 en 5.19 - 5.26 van haar vonnis, waarin de Rechtbank onder meer de keuze van de BHAC juist op voormelde aspecten heeft getoetst. Voor zover het onderdeel klaagt dat de Rechtbank in deze overwegingen heeft volstaan met een toetsing aan de maatstaf of de BHAC in redelijkheid tot haar keuze kon komen, mist het derhalve eveneens feitelijke grondslag.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden.

3.8.1 In de laatste twee volzinnen van rov. 5.24 heeft de Rechtbank haar vaststelling dat de BHAC uitging van een aanmerkelijke verbetering in de winkelstand van de Aarhof gemotiveerd door erop te wijzen dat bij de comparitie van partijen de leden van de commissie hebben verwezen naar het eerdere rapport waarin met het oog op de renovatie voor de huurprijs een correctiefactor van 1,7 was opgenomen. Anders dan onderdeel 6.1 betoogt is dit niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de omstandigheid dat de BHAC later is afgestapt van die correctiefactor wegens het arbitraire karakter daarvan, nu het de Rechtbank immers erom ging dat door de renovatie een verbetering in de winkelstand was gerealiseerd, en niet in welke mate dit het geval was.

3.8.2 Onderdeel 6.2 bestrijdt als onbegrijpelijk de overweging van de Rechtbank dat WE de feitelijke verandering van het winkelcentrum door de renovatie niet heeft bestreden. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Met de uitdrukking 'de feitelijke verandering van het winkel-centrum' doelt de Rechtbank kennelijk op de vaststelling van de Kantonrechter met betrekking tot het feitelijke resultaat van de renovatie: "Van een zeventiger jaren winkelcentrum met een gesloten uitstraling en passages zonder daglicht is het geworden tot een modern winkelcentrum met een uitnodigende open entree en door het binnenkomende daglicht heldere passages". Dat de Rechtbank in de van WE afkomstige stukken van het geding niet een bestrijding van deze vaststelling heeft gelezen, is niet onbegrijpelijk. Dat WE wel het karakter en de noodzaak van de renovatie heeft bestreden, die zij in haar memorie van grieven heeft omschreven als achterstallig onderhoud, cosmetische aanpassingen en een face-lift, doet hieraan niet af. Het onderdeel faalt derhalve.

3.8.3 Onderdeel 6.3 richt zich tegen de slotsom van de Rechtbank in haar rov. 5.25 dat zij zich kan verenigen met het oordeel van de Kantonrechter en de BHAC dat de renovatie tot een aanmerkelijke verbetering van de winkelstand heeft geleid. Het onderdeel, dat kennelijk berust op de opvatting dat VIB de desbetreffende stelling had moeten bewijzen en dat zij dit niet heeft gedaan, verliest uit het oog dat de Rechtbank, zoals haar vrijstond, deze slotsom heeft gebaseerd op de aan haar, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden waardering van het deskundigenrapport. De slotsom is niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt derhalve.

3.8.4 In haar rov. 5.25 heeft de Rechtbank geoordeeld dat omzetgegevens niet zonder meer maatgevend zijn voor het antwoord op de vraag of de renovatie tot een verbetering van de winkelstand heeft geleid, omdat de omzet door allerlei factoren wordt bepaald, waarvan de kwaliteit/ligging van de bedrijfsruimte er slechts één is. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het berust in hoofdzaak op een waardering van feitelijke aard, zodat het voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering dan de Rechtbank heeft gegeven. De onderdelen 6.4 en 6.5 falen derhalve.

3.8.5 Onderdeel 6.6 klaagt dat de Rechtbank is voorbijgegaan aan onder meer de stelling van WE dat de renovatie zag op achterstallig groot onderhoud. Nu noch het onderdeel noch de toelichting daarop nader aangeeft op grond waarvan en in hoeverre deze stelling, indien juist, tot een ander oordeel van de Rechtbank had behoren te leiden, kan het onderdeel in zoverre niet tot cassatie leiden. De overige in het onderdeel weergegeven stellingen hebben in wezen betrekking op de op omzet gebaseerde maatstaf die door de Rechtbank is afgewezen, welk oordeel blijkens het hiervoor in 3.8.4 overwogene in cassatie tevergeefs is bestreden. Ook in zoverre faalt het onderdeel derhalve.

3.8.6 De onderdelen 6.7 en 6.8 bouwen voort op de hiervoor besproken onderdelen en moeten het lot daarvan delen.

3.9 In rov. 5.15 heeft de Rechtbank het betoog van WE verworpen dat het gehuurde en de door de BHAC gekozen vergelijkingspanden, met name door het verschil in oppervlakte, onvergelijkbaar zijn. De Rechtbank heeft dit oordeel gebaseerd op twee zelfstandige gronden, te weten de uitzondering die de Hoge Raad heeft aanvaard in zijn beschikking van 6 maart 1978, nr. 7083, NJ 1987, 971, en de goede zichtlocatie van het gehuurde met een front aan twee kanten. Laatstgenoemde grond is in cassatie niet bestreden, zodat de onderdelen 7.1 en 7.2 die zich richten tegen de formulering die de Rechtbank heeft gebezigd bij de beoordeling van de vraag of de uitzondering van toepassing is, bij gebrek aan belang niet tot cassatie kunnen leiden.

Onderdeel 7.3 bevat geen zelfstandige klacht.

3.10.1 Onderdeel 8.1 bestrijdt het oordeel van de Rechtbank in haar rov. 5.29 dat de nader vastgestelde huurprijs met ingang van de datum van de inleidende dagvaarding verschuldigd is en op de onderscheiden vervaldata opeisbaar is geworden, en dat daarom ook de wettelijke rente vanaf die vervaldata toewijsbaar is. Het onderdeel verwijt de Rechtbank daarbij te hebben miskend dat de verplichting tot rentebetaling niet berust op de wettelijke bepalingen betreffende de wettelijke rente, doch op de overeenkomst van partijen. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Ook al blijkt pas na afloop van de desbetreffende procedure welke huurprijs is verschuldigd, dit neemt niet weg dat de aldus verschuldigde huurprijs verschuldigd is met ingang van de dag waarop de rechter die wijziging doet ingaan en de gewijzigde huurtermijnen derhalve opeisbaar zijn op de na die dag verschenen vervaldagen. Het oordeel van de Rechtbank geeft dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Nu het onderdeel niet uiteenzet op grond waarvan de daarin weergegeven bepalingen van de overeenkomst de Rechtbank op het onderhavige punt, dat in wezen de vraag betreft wanneer de gewijzigde huurtermijnen geacht moeten worden opeisbaar te zijn, tot een ander oordeel hadden moeten brengen, is het ook in zoverre tevergeefs voorgesteld.

3.10.2 Anders dan onderdeel 8.2 aanvoert, betekent de enkele omstandigheid dat niet gebleken is dat WE haar verplichtingen uit de huurovereenkomst met betrekking tot de nader vastgestelde huurprijs niet zal nakomen, nog niet dat VIB geen belang heeft bij haar vordering tot nakoming. Het onderdeel faalt derhalve.

3.11 Onderdeel 9 bouwt voort op de hiervoor besproken onderdelen, zodat het het lot daarvan moet delen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt WE in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van VIB begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 15 juni 2001.