Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB2149

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2001
Datum publicatie
30-07-2001
Zaaknummer
C99/350HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 42
JOL 2001, 382
NJ 2002, 336 met annotatie van C.J.H. Brunner
RvdW 2001, 114
AV&S 2002, p. 42
M en R 2002, 94
Gst. 2002-7166, 5 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Vastgoed en wonen 2001/502
JWB 2001/171
RV 2014/112 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 juni 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/350HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE GEMEENTE ALMELO, gevestigd te Almelo,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. A.R. Sturhoofd,

t e g e n

1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats],

3. [Verweerster 3], wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Gemeente - heeft bij exploit van 17 januari 1997 verweerders in cassatie - verder gezamenlijk in te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Almelo. Na vermeerdering van eis heeft zij gevorderd [verweerder] te veroordelen aan de gemeente te voldoen hoofdelijk - des dat de één betalende de ander bevrijd zal zijn - de schade ad ƒ 624.243,57, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 1996 tot de dag der algehele voldoening.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 8 oktober 1997 de Gemeente bewijs opgedragen en een comparitie van partijen gelast. Na gehouden comparitie van partijen en getuigenverhoor aan de zijde van de Gemeente, heeft de Gemeente bij conclusie na enquête tevens akte houdende vermindering van eis haar eis verminderd tot een bedrag van ƒ 615.347,71. Bij eindvonnis van 17 juni 1998 heeft de Rechtbank [verweerder] hoofdelijk veroordeeld, des dat de een betaalt de ander is bevrijd, tot betaling aan de gemeente van een bedrag van ƒ 607.364,26 met de wettelijke rente daarover vanaf 12 juli 1996 tot de dag van betaling.

Tegen beide vonnissen van de Rechtbank heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 27 juli 1999 heeft het Hof, rechtdoende in hoger beroep, de bestreden vonnissen vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de Gemeente haar vordering ontzegd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de Gemeente heeft bij brief van 27 april 2001 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder 2] en [verweerster 3] waren op 8 april 1996 de vennoten van [verweerster 1] (verder tezamen en afzonderlijk aangeduid als: [verweerder]).

(ii) [Verweerder] dreef op 8 april 1996 een onderneming aan de [a-straat] [1-3] te [vestigingsplaats], omvattende een veem, een op- en overslagbedrijf en een douane entrepot type B gesloten inrichting.

(iii) Op 8 april 1996 heeft op het bedrijfsterrein van [verweerder] en in de daarop aanwezige bedrijfsgebouwen een grote uitslaande brand gewoed. Een deel van die bedrijfsgebouwen, die in totaal een oppervlakte hadden van ca. 4500 m², was met asbest(houdende) platen bedekt; het restant met stalen dakplaten.

(iv) De bedrijfsgebouwen waren niet door [verweerder] opgericht maar waren door haar enige jaren voordien van een derde gekocht. Deze derde had ze met een daartoe van de Gemeente verkregen vergunning laten bouwen. Bij de verlening van die vergunning heeft de Gemeente ermee ingestemd dat de dakbedekking deels uit asbest(houdende) platen zou bestaan. Nadat [verweerder] de eigendom van voormelde onroerende zaken had verkregen, is zij nimmer door de Gemeente omtrent de asbestplaten aangeschreven.

(v) Als gevolg van de brand is asbesthoudend materiaal vrijgekomen. Dat is terechtgekomen op het bedrijfsterrein, de openbare wegen en de spoorbaan in de directe omgeving van [verweerders] bedrijfsterrein en in de woonwijk Aalderinkshoek (verder: Aalderinkshoek).

(vi) De omstandigheid dat ook asbesthoudend materiaal is terechtgekomen in Aalderinkshoek is niet dadelijk tijdens de brand geconstateerd maar pas op 11 april 1996 naar aanleiding van bij de Gemeente binnengekomen klachten.

(vii) Het in Aalderinkshoek terechtgekomen asbesthoudend materiaal was zogenaamd hechtgebonden asbest. Dat wil zeggen dat het gaat om materiaal waarin asbestvezels stevig zijn verankerd aan ander materiaal dat deze vezels nauwelijks afgeeft zolang dat materiaal niet wordt vernietigd of beschadigd, zulks in tegenstelling tot losgebonden asbest waaruit gemakkelijk vezels ontsnappen die vervolgens ingeademd kunnen worden.

(viii) De Gemeente heeft het in Aalderinkshoek terechtgekomen asbest door CSU Total Care te Uden laten verwijderen. Daarmee was een bedrag van ƒ 607.364,26 gemoeid.

3.2 De Gemeente heeft in dit geding gevorderd dat [verweerder] zal worden veroordeeld om haar te betalen een bedrag van ƒ 615.347,71 ter vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in verband met het verwijderen van het door de brand bij [verweerder] vrijgekomen asbesthoudend materiaal uit Aalderinkshoek. De Gemeente heeft, voor zover in cassatie van belang, haar vordering gegrond op de art. 6:174 en 6:162 BW, daartoe stellende dat [verweerder] opstallen bezat waarin asbest was verwerkt en dat [verweerder] niet onmiddellijk na de brand adequate voorzieningen, te weten het (doen) verwijderen van het in Aalderinkshoek neergekomen asbesthoudend materiaal, heeft getroffen.

De Rechtbank heeft in haar tussenvonnis geoordeeld dat [verweerder] op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk is omdat de desbetreffende opstallen ten gevolge van hun gebrekkige toestand gevaar opleverden voor personen en zaken en dit gevaar zich ook heeft verwezenlijkt. Voorts oordeelde de Rechtbank dat door [verweerder] nimmer is betwist dat zij met de aard en de constructie van haar opstallen bekend was en dat zij daarom ook zonder een aanschrijving van de Gemeente om de asbesthoudende dakplaten te vervangen, maatregelen had moeten nemen. Ook door dat na te laten, aldus de Rechtbank, heeft [verweerder] onrechtmatig, immers in strijd met de zorgvuldigheid die haar in het maatschappelijk verkeer jegens een anders persoon of goed betaamt, gehandeld en is haar aansprakelijkheid uit art. 6:162 BW gegeven. In haar eindvonnis heeft de Rechtbank de vordering van de Gemeente toegewezen tot op een bedrag van ƒ 607.364,26.

Het Hof heeft met vernietiging van de vonnissen van de Rechtbank aan de Gemeente alsnog haar vordering ontzegd.

3.3 Onderdeel 1a keert zich tegen de verwerping door het Hof in rov. 5.4 van het beroep van de Gemeente op art. 6:174 BW.

Bij zijn oordeel dat het beroep van de Gemeente op art. 6:174 ongegrond is, heeft het Hof, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, de volgende omstandigheden van belang geacht:

a) het is geoorloofd opstallen te bezitten met een dakbedekking welke voor een deel uit asbesthoudende platen bestaat; er bestaat dan ook geen verplichting tot verwijdering van dergelijke dakbedekking,

b) de aanwezigheid van een dakbedekking met asbesthoudende platen als de onderhavige schaadt op zichzelf niet de gezondheid,

c) op zichzelf leverden deze opstallen (buiten het geval van brand) geen gevaar voor personen of zaken op, en

d) niet gesteld of gebleken is dat door een bepaald bijzonder gebruik van de opstallen of anderszins in relevant verhoogde mate rekening diende te worden gehouden met het risico van een brand waarbij de dakbedekking ernstig zou worden verhit en als gevolg daarvan asbestdeeltjes zouden (kunnen) vrijkomen.

De onder b, c en d genoemde omstandigheden komen er op neer dat de kans op vrijkomen van asbesthoudend materiaal zeer gering was. Klaarblijkelijk heeft het Hof op grond daarvan en in aanmerking genomen de onder a genoemde omstandigheid geoordeeld dat de opstallen voldeden aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. In aanmerking genomen dat het bij de eisen bedoeld in art. 6:174 lid 1 BW gaat om de eisen die men uit het oogpunt van veiligheid aan de opstal in kwestie mag stellen (HR 20 oktober 2000, nr. C99/004, NJ 2000, 700), heeft het Hof door aldus te oordelen niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel is ook niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Op dit een en ander stuit onderdeel 1a af. Onderdeel 1b bouwt voort op onderdeel 1a en kan derhalve evenmin tot cassatie leiden.

3.4 Onderdeel 2 keert zich tegen de verwerping door het Hof in rov. 5.9 van het betoog van de Gemeente, inhoudende dat het feit dat [verweerder] het in Aalderinkshoek neergedaalde asbesthoudende materiaal niet terstond heeft verwijderd, een onrechtmatige daad van [verweerder] jegens de Gemeente oplevert die haar tot schadevergoeding verplicht. Het onderdeel strekt, naar de kern genomen en zakelijk weergegeven, ten betoge dat [verweerder] door na te laten het van haar opstallen afkomstige asbesthoudend materiaal te verwijderen, een gevaarlijke situatie heeft laten voortbestaan en deswege jegens de Gemeente aansprakelijk is voor de door de Gemeente gemaakte kosten van verwijdering.

Het onderdeel faalt. In het onderhavige geval is als gevolg van het woeden van een brand op het bedrijfsterrein van [verweerder] en in de op dat terrein aanwezige bedrijfsgebouwen asbesthoudend materiaal afkomstig van de opstallen van [verweerder] vrijgekomen en onder meer terechtgekomen in Aalderinkshoek. Voormelde opstallen voldeden aan de eisen die men uit een oogpunt van veiligheid daaraan mag stellen, zodat van aansprakelijkheid van [verweerder] op grond van art. 6:174 BW geen sprake is. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat [verweerder] uitsluitend door een gevaarlijke situatie te laten voortbestaan door niet zelf het van haar opstallen afkomstig asbesthoudende materiaal te (doen) verwijderen uit Aalderinkshoek, een onrechtmatige daad jegens de Gemeente heeft gepleegd, die haar jegens de Gemeente aansprakelijk doet zijn voor de kosten van verwijdering van dit materiaal, welke de Gemeente - naar het Hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld - in de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak tot sanering van Aalderinkshoek heeft gemaakt.

3.5.1 Onderdeel 3 keert zich tegen het oordeel van het Hof in rov. 5.11 dat het niet inziet op welke grond de Gemeente de kosten van de ter uitvoering van haar publiekrechtelijke taak ter hand genomen sanering van Aalderinkshoek, op [verweerder] zou kunnen verhalen.

3.5.2 Onderdeel 3a strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat [verweerder] op grond van het bepaalde in art. 1. 1a lid 1 van de Wet milieubeheer verplicht was tot verwijdering van asbesthoudend materiaal uit Aalderinkshoek. Het onderdeel kan reeds daarom niet tot cassatie leiden omdat de Gemeente zich in de feitelijke instanties niet op deze bepaling heeft beroepen en de vraag of [verweerder] een in lid 2 van deze bepaling opgenomen zorgverplichting heeft geschonden, een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is.

3.5.3 Onderdeel 3b berust kennelijk op het uitgangspunt dat het Hof in rov. 5.11 mede toepassing heeft gegeven aan "de leer van de onaanvaardbare doorkruising". Aldus gaat het onderdeel uit van een verkeerde lezing van rov. 5.11, zodat het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.

3.6 Onderdeel 4 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft dus geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 1.952,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 15 juni 2001..