Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1975

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2001
Datum publicatie
30-07-2001
Zaaknummer
36330
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2001/355
BNB 2001/305
WFR 2001/826, 1
V-N 2001/32.8 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36330

6 juni 2001

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 juni 2000, nr. P98/4594, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 765.415, waarvan een bedrag van f 716.223 belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende exploiteerde tot begin 1994 een onderneming, voortkomende uit een garagebedrijf. De laatste jaren richtten de activiteiten zich uitsluitend op de verkoop van motorbrandstoffen.

Op 22 december 1992 heeft belanghebbende het voor deze activiteiten gebezigde pand, dat tot zijn verplichte ondernemingsvermogen behoorde, verkocht aan de gemeente Q. Op dezelfde datum heeft de gemeente aan belanghebbende een perceel te R verkocht dat door de gemeente bestemd was voor de bouw en exploitatie van een verkooppunt van motorbrandstoffen.

Bij overeenkomst van 26 januari 1994 heeft belanghebbende het perceel te R en de hem verleende exploitatievergunning verhuurd aan A B.V.

Bij akte van 28 januari 1994 heeft belanghebbende het tot zijn ondernemingsvermogen behorende pand geleverd aan de gemeente Q. Eveneens bij akte van 28 januari 1994 heeft de gemeente het perceel te R aan belanghebbende geleverd.

Belanghebbendes onderneming is in 1994 gestaakt.

3.2. In geschil is of de aan de exploitatievergunning toe te kennen waarde moet worden gerekend tot de stakingswinst.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in het kader van het drijven van zijn onderneming in staat werd gesteld het perceel te R met de exploitatievergunning te verkrijgen.

3.4. Uitgaande van dit oordeel, dat als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden, heeft het Hof terecht geoordeeld dat de waarde van de exploitatievergunning tot de stakingswinst behoort. Het tegen dit oordeel gerichte middel I faalt derhalve.

Middel II kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2001.