Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1974

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2001
Datum publicatie
30-07-2001
Zaaknummer
36216
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36216

6 juni 2001

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 26 april 2000, nr. BK-98/01212, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 474.308, waarvan een bedrag van f 425.116 belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. M.J. Hamer, advocaat te ’s-Gravenhage.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende, van beroep architect van champignonkwekerijen, heeft in 1983 van zijn vader een perceel grond met agrarische bestemming gekocht.

Bij brief van 10 januari 1983 heeft belanghebbende de gemeente Q (hierna: de gemeente) verzocht de bestemming te wijzigen in die van agrarische bouwgrond, teneinde daarop een champignonkwekerij te vestigen. Bij besluit van 7 juni 1983 heeft de gemeente de bestemming van het perceel gewijzigd.

Op 10 december 1986 heeft de gemeente, buiten medeweten van belanghebbende, de bestemming van agrarische bouwgrond opgeheven. De champignonkwekerij was op dat moment nog niet opgericht.

In 1989 heeft de gemeente belanghebbende te kennen gegeven dat zij het bestaande bestemmingsplan wil wijzigen en het gehele gebied, waarvan het onderhavige perceel deel uitmaakt, wil aanmerken als industriegebied.

Op 18 januari 1991 heeft belanghebbende de gemeente verzocht de bestemming van het perceel te wijzigen in die van agrarische bouwgrond, zodat de door hem op 20 september 1990 gevraagde vergunning voor de bouw van een champignonkwekerij kan worden verleend.

In 1991 is het voornemen tot het gemeentelijk uitbreidingsplan van het industriegebied bekend gemaakt. Belanghebbende heeft tegen dit plan bezwaar aangetekend.

Ultimo 1991 heeft belanghebbende zijn bezwaar tegen uitbreiding van het industriegebied ingetrokken en is de bestemming van het onderhavige perceel grond gewijzigd in die van agrarische bouwgrond.

In januari 1993 heeft belanghebbende de definitieve vergunning verkregen voor de bouw van een champignonkwekerij op het onderhavige perceel grond.

In december 1993 heeft belanghebbende het perceel verkocht aan een derde voor f 602.400. De levering vond plaats op 1 augustus 1994, nadat de bestemming van de grond was gewijzigd in industriële bouwgrond.

3.2. In geschil is of het met de verkoop van het perceel behaalde voordeel tot belanghebbendes belastbare inkomen behoort.

3.3. Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld dat belanghebbende, nadat hij zijn plannen om op het perceel waarom het hier gaat een woonhuis te kunnen bouwen, had laten varen, met ingang van 20 september 1990 een aantal in ‘s Hofs uitspraak nader omschreven rechtshandelingen en feitelijke handelingen heeft verricht, erop gericht aan het perceel de bestemming agrarische bouwgrond (terug) te geven, zulks met het oogmerk zijn onderhandelingspositie in de toen al in het voornemen liggende wijziging van de bestemming van het gebied waarin het perceel was gelegen in industrieterrein maximaal uit te buiten. Voorzover in het middel wordt betoogd dat deze (rechts)handelingen te marginaal en gering van omvang waren om te kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden in de zin van artikel 22, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, faalt het. Werkzaamheden als door het Hof omschreven kunnen onder omstandigheden leiden tot op de voet van evenvermelde wetsbepaling belaste opbrengst. Dit is echter niet het geval indien die opbrengst niet haar verklaring vindt in die werkzaamheden. Het middel klaagt terecht erover dat ’s Hofs uitspraak op dit punt ontoereikend is gemotiveerd. Het is immers zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat de mogelijkheid het onderhavige perceel te verkopen voor f 602.400 in gunstige zin is beïnvloed door de agrarische bouwbestemming.

3.4. In verband met hetgeen onder 3.3 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 160, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2840 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2001.