Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1837

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-05-2001
Datum publicatie
05-03-2002
Zaaknummer
36010
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2001, 21355
FED 2001/351
BNB 2001/282 met annotatie van J.W. Zwemmer
FED 2001/383
WFR 2001/825
V-N 2001/32.25 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1044
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36010

30 mei 2001

YS

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 februari 2000, nr. BK-98/03507, betreffende na te melden aan X-2 B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de kapitaalsbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de kapitaalsbelasting opgelegd ten bedrage van f 50.347, welke naheffingsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Op of omstreeks 20 november 1997 heeft A AB, een naar het recht van Zweden opgericht en aldaar gevestigd lichaam, f 64.995.800 geldmiddelen ingebracht in B B.V., waarvan A AB alle aandelen houdt. Over deze storting heeft B B.V. kapitaalsbelasting voldaan. B B.V. houdt alle aandelen in vier Nederlandse vennootschappen. Direct na de storting in B B.V. heeft deze vennootschap in die vennootschappen de volgende stortingen verricht: f 7.846.769 in X-1 B.V., f 14.289.794 in C B.V., f 37.145.128 in D B.V. en f 6.626.661 in E B.V. Vervolgens heeft X-1 B.V. f 5.034.775 gestort op de aandelen van belanghebbende, waarvan X-1 B.V. alle aandelen houdt. Het verschil tussen het in X-1 B.V. gestorte bedrag van f 7.846.769 en het door haar in belanghebbende gestorte bedrag van f 5.034.775 heeft X-1 B.V. aangewend ter aanzuivering van in het verleden geleden verliezen. Alle voormelde stortingen zijn door de ontvangende vennootschappen geboekt als agio. De stortingen maakten deel uit van een interne reorganisatie die op 2 januari 1998 haar beslag heeft gekregen.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat ter zake van de storting door X-1 B.V. in belanghebbende geen kapitaalsbelasting verschuldigd is omdat deze storting voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 37, lid 1, letter a, in samenhang met artikel 37, lid 2, letter b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 1997; hierna: de Wet) moet worden aangemerkt als een inbreng van het gehele vermogen. Het middel bestrijdt dit oordeel met het betoog dat de vrijstelling toepassing mist omdat niet kan worden gezegd dat belanghebbende door de storting het gehele vermogen van X-1 B.V. heeft verworven, nu slechts een gedeelte van de voorafgaande aan de inbreng in X-1 B.V. aanwezige geldmiddelen in belanghebbende is ingebracht.

3.3. De stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat direct voorafgaande aan de inbreng van geldmiddelen door X-1 B.V. in belanghebbende, het vermogen van X-1 B.V. naast de deelneming in belanghebbende en het in belanghebbende in te brengen geldbedrag, bestond uit het in 3.1 bedoelde verschil van f 2.811.994 en een bedrag aan schulden in dezelfde orde van grootte, welke schulden kort nadien in het kader van de reorganisatie uit dit verschil zijn afgelost. Deze situatie kan op één lijn worden gesteld met de situatie waarin direct voorafgaande aan de inbreng van geldmiddelen door X-1 B.V. in belanghebbende het vermogen van X-1 B.V. slechts zou hebben bestaan uit de deelneming in belanghebbende en het in belanghebbende in te brengen bedrag. Gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in rechtsoverweging 4.4 van zijn arrest van 29 augustus 1997, nr. 31890, BNB 1997/344, moet derhalve worden geoordeeld dat belanghebbende het gehele vermogen van een ander lichaam, als bedoeld in artikel 37, lid 2, letter b, van de Wet, heeft verworven. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de proceskosten.

5. Beslissing De Hoge Raad: verklaart het beroep ongegrond, en veroordeelt de staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2130 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos, D.H. Beukenhorst, L. Monné en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2001.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van f 630.