Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1832

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-05-2001
Datum publicatie
05-03-2002
Zaaknummer
371
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Oordelen van de Centrale Raad van Beroep dat sprake is van een gezamenlijk voorzien in de huisvesting in de zin van 5a.2 ABW en dat geen sprake is van een kostgangersrelatie is niet strijdig met art. 8 EVRM.

Cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.

De CRvB heeft geoordeeld dat de feitelijke vaststelling dat de betrokken personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, voldoende is om aan te nemen dat gezamenlijk wordt voorzien in de huisvesting. Op grond hiervan is de CRvB tot de conclusie gekomen dat in het geval van belanghebbende en A buiten kijf is dat zij voldoen aan het criterium van het gezamenlijk voorzien in de huisvesting.

Belanghebbendes klacht hiertegen is gegrond, nu een zo algemene regel als door de CRvB aan zijn conclusie ten grondslag heeft gelegd niet kan worden aanvaard. Van een gezamenlijk voorzien in huisvesting in de zin van art. 5a.2 ABW kan niet worden gesproken, ingeval de bewoner van een woning op zuiver commerciële basis een deel daarvan verhuurt aan een huurder of ter beschikking stelt aan een kostganger, en deze huurder of kostganger in dat deel van die woning zijn hoofdverblijf heeft.

De klacht kan echter niet tot cassatie leiden. De CRvB heeft vastgesteld dat belanghebbende en A in 1986 gezamenlijk naar hun huidige woning zijn verhuisd, dat de woning door beiden geheel wordt gebruikt en dat belanghebbende, naar hij heeft verklaard, vanaf 1978 steeds hetzelfde bedrag aan kost en inwoning heeft betaald, te weten f 400,- per maand. Dit een en ander, dat in cassatie niet dan wel tevergeefs wordt bestreden, laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende en A anders dan op zuiver commerciële basis een hun tot hoofdverblijf dienende woning delen, zodat moet worden geoordeeld dat zij gezamenlijk in hun huisvesting voorzien.

Anders dan belanghebbende betoogt, zijn de oordelen van de CRvB dat sprake is van een gezamenlijk voorzien in de huisvesting en dat geen sprake is van een kostgangersrelatie, niet strijdig met art. 8 EVRM.

Beroep ongegrond.

Centrale Raad van Beroep.

E. Korthals Altes, P.J. van Amersfoort, C.B. Bavinck

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 5a
Algemene bijstandswet 44
Algemene bijstandswet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2001/191 met annotatie van R. Stijnen
JABW 2001, 101
BNB 2001/299
FED 2001/345
WFR 2001/822
V-N 2001/32.18 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1053
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 371

30 mei 2001

YS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2000, nrs. 98/5983 NABW en 98/5984 NABW, betreffende de beëindiging van de aan belanghebbende toegekende uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet alsmede de afwijzing van zijn verzoek om toekenning van een zodanige uitkering.

1. Besluiten, bezwaren en geding voor de Arrondissementsrechtbank

Bij besluit van 26 juni 1995 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: B en W) de aan belanghebbende toegekende uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (tekst tot 1 januari 1996, hierna: ABW) met ingang van 5 april 1995 beëindigd.

B en W hebben het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar bij beslissing van 20 februari 1996 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 december 1995 hebben B en W het verzoek van belanghebbende om toekenning van een uitkering ingevolge de ABW afgewezen.

Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar hebben B en W bij beslissing van 28 mei 1996 ongegrond verklaard.

Tegen de beslissingen van respectievelijk 20 februari 1996 en 28 mei 1996 heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Groningen.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 1 juli 1998 de beroepen gegrond verklaard en voormelde beslissingen van B en W vernietigd.

2. Geding voor de Centrale Raad van Beroep

B en W hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

De Centrale Raad heeft die uitspraak vernietigd en de inleidende beroepen tegen de besluiten van 20 februari 1996 en 28 mei 1996 alsnog ongegrond verklaard. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.

3. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

4. Beoordeling van de klachten

4.1. Bij de beoordeling van de aangevoerde klachten moet het volgende worden vooropgesteld.

Ingevolge het bepaalde in artikel 44, lid 1, ABW kan tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep slechts beroep in cassatie worden ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 5a van die wet. Belanghebbende klaagt in cassatie echter ook over schending of verkeerde toepassing van artikel 8 EVRM. Een uitleg van artikel 44, lid 1, ABW die strookt met doel en strekking van deze bepaling, brengt mede dat klachten in cassatie over schending of verkeerde toepassing van artikel 8 EVRM, als gevolg waarvan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 5a ABW een andere toepassing wordt gegeven dan zonder toepassing van voormelde verdragsbepaling het geval zou zijn geweest, moeten worden aangemerkt als klachten over schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 5a ABW.

4.2. De Centrale Raad heeft geoordeeld dat de feitelijke vaststelling dat de betrokken personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, voldoende is om aan te nemen dat gezamenlijk wordt voorzien in de huisvesting. Op grond hiervan is de Centrale Raad tot de conclusie gekomen dat in het geval van belanghebbende en A buiten kijf is dat zij voldoen aan het criterium van het gezamenlijk voorzien in de huisvesting.

De tegen voormeld oordeel gerichte klacht is gegrond, nu een zo algemene regel als door de Centrale Raad aan zijn conclusie ten grondslag gelegd niet kan worden aanvaard. Van een gezamenlijk voorzien in huisvesting in de zin van artikel 5a, lid 2, ABW kan niet worden gesproken, ingeval de bewoner van een woning op zuiver commerciële basis een deel daarvan verhuurt aan een huurder of ter beschikking stelt aan een kostganger, en deze huurder of kostganger in dat deel van die woning zijn hoofdverblijf heeft.

4.3. De klacht kan echter niet tot cassatie leiden. De Centrale Raad heeft vastgesteld dat belanghebbende en A in 1986 gezamenlijk naar hun huidige woning zijn verhuisd, dat de woning door beiden geheel wordt gebruikt en dat belanghebbende, naar hij heeft verklaard, vanaf 1978 steeds hetzelfde bedrag aan kost en inwoning heeft betaald, te weten ¦ 400 per maand. Dit een en ander, dat in cassatie niet dan wel tevergeefs wordt bestreden, laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende en A anders dan op zuiver commerciële basis een hun tot hoofdverblijf dienende woning delen, zodat moet worden geoordeeld dat zij gezamenlijk in hun huisvesting voorzien.

4.4. Anders dan belanghebbende betoogt, zijn de oordelen van de Centrale Raad dat sprake is van een gezamenlijk voorzien in de huisvesting en dat geen sprake is van een kostgangersrelatie, niet strijdig met artikel 8 EVRM.

4.5. Ook de overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden, omdat zij zich richten tegen oordelen die geen blijk geven van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 5a, lid 2, ABW en de toetsing op grond van artikel 44 ABW daartoe beperkt moet blijven.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2001.