Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1762

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2001
Datum publicatie
14-02-2002
Zaaknummer
03519/00 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB1762
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering, Straatsburg, 17-03-1978 3
Uitleveringswet 5
Wet op de rechterlijke organisatie 99
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 347
NJ 2002, 28 met annotatie van G.A.M. Strijards
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 mei 2001

Strafkamer

nr. 03519/00 U

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 28 juni 2000, parketnummer 04/640016-98, op een verzoek van Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Turkije tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan Turkije tot verdere tenuitvoerlegging van de hem opgelegde vrijheidsstraf toelaatbaar verklaard.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1. De middelen komen op tegen de verwerping van het verweer dat het vonnis ter tenuitvoerlegging waarvan de uitlevering wordt verzocht, en de bekrachtiging daarvan tot stand zijn gekomen na een verstekprocedure.

3.2.1. De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:

“De raadsman heeft primair betoogd dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard daar er sprake is van een onherroepelijk vonnis dat bij verstek is gewezen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank verwijst met betrekking tot de vraag of de uitspraak van de zwarestrafrechtbank te Bogazliyan d.d. 12 juni 1991 op tegenspraak is gewezen naar hetgeen de rechtbank in haar tussenuitspraak van 25 april 2000 hieromtrent heeft overwogen, welke overweging deze rechtbank tot de hare maakt".

3.2.2. Genoemde tussenuitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

“De rechtbank is met betrekking tot de uitspraak van de strafrechtbank van Bogazliyan d.d. 12 juni 1991 van oordeel dat naar Nederlands recht gesproken kan worden van een strafrechtelijke procedure op tegenspraak. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat uit de overgelegde stukken en uit het behandelde ter terechtzitting op 11 april 2000 is gebleken dat voornoemde strafrechtbank alleen op 15 juli 1987 een openbare hoorzitting heeft gehouden, waar de opgeëiste persoon bijgestaan door een advocaat (blijkens de mededeling van de opgeëiste persoon op de terechtzitting van 11 april 2000) is verschenen, terwijl de opgeëiste persoon na zijn vrijlating nog een aantal keren contact heeft opgenomen met zijn advocaat. Aan dit oordeel doet niet af dat de opgeëiste persoon bij de uitspraak niet aanwezig is geweest, nu zulks niet met zich meebrengt dat daardoor gesproken zou kunnen worden van een vonnis gewezen bij verstek”.

3.2.3. De bestreden uitspraak houdt voorts in:

“De rechtbank is voorts van oordeel dat de bekrachtiging van de uitspraak van de zwarestrafrechtbank te Bogazliyan door de Hoge Raad, 5de strafafdeling d.d. 17 september 1991, eveneens op tegenspraak tot stand is gekomen. De rechtbank verwijst daartoe naar de inhoud van voornoemde bekrachtiging door de Hoge Raad, 5de strafafdeling, alsmede naar de inhoud van het schrijven van de hoofdofficier van justitie te Bogazliyan d.d. 30 mei 2000. De rechtbank constateert voorts dat de door de raadsman bij zijn pleitaantekeningen overgelegde schriftelijke reactie van de Turkse advocaat Osman Oguzhan van de opgeëiste persoon met het oordeel van de rechtbank niet in tegenspraak is”.

3.3. Art. 3, eerste lid, van het te dezen toepasselijke Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake uitlevering luidt, voorzover voor de beoordeling van de middelen van belang, als volgt:

"When a Contracting Party requests from another Contracting Party the extradition of a person for the purpose of carrying out a sentence or detention order imposed by a decision rendered against him in absentia, the requested Party may refuse to extradite for this purpose, if, in its opinion, the proceedings leading to the judgement did not satisfy the minimum rights of defence recognised as due to everyone charged with criminal offence”.

3.4. De in 3.2 weergegeven overwegingen van de Rechtbank houden als haar kennelijke oordeel in dat het Turkse vonnis niet kan worden aangemerkt als een "judgement rendered in absentia" waarvan gezegd kan worden dat "the proceedings leading to the judgement did not satisfy the minimum rights of defence recognised as due to everyone charged with criminal offence".

3.5. Ten aanzien van de totstandkoming van het Turkse vonnis in feitelijke aanleg geldt het volgende. Uit het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 11 april 2000 en een aan de pleitnota van de raadsman ten behoeve van de zitting van de Rechtbank van 15 juni 2000 gehechte Nederlandse vertaling van een brief van de Turkse raadsman van de opgeëiste persoon moet worden afgeleid dat de opgeëiste persoon ten tijde van de aanvang van behandeling van de strafzaak in Turkije op

11 augustus 1987 was gedetineerd, dat hij tevoren ten minste een maal, te weten op 15 juli 1987, met die raadsman een zitting van de desbetreffende Turkse rechtbank heeft bijgewoond, dat die raadsman tot aan zijn vrijlating voor hem de verdediging heeft gevoerd, dat de opgeëiste persoon op 16 december 1987 uit voorarrest is ontslagen en vervolgens naar Nederland is teruggekeerd, en dat die raadsman ook bij de latere zittingen namens hem de verdediging heeft gevoerd.

3.6. De Rechtbank heeft ten aanzien van het bij de Turkse Hoge Raad gevolgde geding overwogen en beslist als hiervoor onder 3.2.3 is weergegeven. De aldaar genoemde brief van de hoofdofficier van justitie te Bogazliyan van 30 mei 2000, waarvan blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 15 juni 2000 aldaar de korte inhoud is medegedeeld, houdt onder meer in:

“Bij het onderzoek in beroep van misdaden die vallen binnen de competentie van de Rechtbank voor Zware Straffen of [onleesbaar] worden door de Hoge Raad zittingen gehouden, indien de verdachte of diens gemachtigde daarom vragen altijd, indien er geen verzoek voorligt indien het nodig wordt geacht. Wanneer er in de beroepszaak een zitting wordt gehouden, wordt de zittingsdatum aan de verdachte of diens gemachtigde doorgegeven. (...)

De Hoge Raad onderzoekt met de zaken die in een beroepschrift naar voren zijn gebracht in hoeverre de wettelijke inconsequenties het vonnis hebben beïnvloed, en indien zij ziet in welke opzicht de wet is overtreden, annuleert zij het vonnis in dat opzicht (Sv artikel 320, 321)”.

Gelet op het zojuist weergegevene is het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat in bedoeld geding niet is geoordeeld over de gegrondheid van de tegen de opgeëiste persoon ingestelde strafvervolging, niet onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing is op grond van art. 99, eerste lid aanhef en sub 2, RO in cassatie geen plaats.

3.7. Het in 3.5 en 3.6 overwogene in aanmerking genomen geeft het in 3.4 weergegeven oordeel van de Rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Daarom falen de middelen.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het vierde middel

5.1. Het middel bevat naar de Hoge Raad begrijpt de klacht dat de Rechtbank het verweer betreffende de schending van het recht van de opgeëiste persoon op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.

5.2. Het in het middel bedoelde verweer is in de bestreden uitspraak als volgt weergegeven en verworpen:

"De raadsman heeft subsidiair betoogd dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard op grond van het verstrijken van een onredelijke termijn gelegen tussen de gestelde feiten en het verzoek tot uitlevering.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. De rechtbank overweegt daartoe dat de stelling van de opgeëiste persoon dat de Turkse autoriteiten sinds zijn vrijlating op 16 december 1987 van zijn verblijfplaats in Nederland op de hoogte zijn geweest niet is onderbouwd, terwijl zulks ook niet uit de stukken is gebleken. De opgeëiste persoon heeft daarnaast, gelet op de inhoud van het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 3 maart 2000, een groot gedeelte van de betreffende periode in detentie doorgebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de belangen van de opgeëiste persoon niet zijn geschaad".

5.3. Voorzover het middel betrekking heeft op het tijdsverloop tot aan het onherroepelijk worden van het Turkse vonnis in 1991, faalt het middel. Immers, de beoordeling daarvan komt in een geval als het onderhavige niet toe aan de uitleveringsrechter.

Voorzover in het middel ook wordt geklaagd over het tijdsverloop na het onherroepelijk worden van het Turkse vonnis geldt dat het in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn geen betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak opgelegde straf.

Daarom faalt het middel ook in zoverre zodat de evenweergegeven overwegingen van de Rechtbank onbesproken kunnen blijven.

6. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

6.1. De Rechtbank heeft verzuimd in de bestreden uitspraak de feiten te vermelden waarvoor de uitlevering toelaatbaar wordt geoordeeld. De Hoge Raad kan het verzuim zelf herstellen.

6.2. Het vonnis van de zwarestrafrechtbank te Bogazliyan van 12 juni 1991, ter tenuitvoerlegging waarvan de uitlevering is verzocht, houdt, zakelijk weergegeven, in dat de opgeëiste persoon is veroordeeld ter zake van de navolgende feiten:

“In de nacht van 9 op 10 juli 1987 heeft [de opgeëiste persoon] tezamen met [betrokkene A], in de omgeving van Kayseri, Ürgüp Göreme en Bogazliyan (Turkije), [het slachtoffer] van haar vrijheid beroofd en verkracht”.

7. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de onder 6 weergegeven grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als volgt.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voorzover daarin verzuimd is de feiten te vermelden waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard;

Vermeldt als feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard die welke hiervoor onder 6.2 zijn weergegeven;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 mei 2001.