Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1698

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-05-2001
Datum publicatie
12-09-2001
Zaaknummer
C99/273HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB1698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 38
Wet op de rechterlijke organisatie 96
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 253
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 340
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 344
JWB 2001/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 mei 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/273HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. H.J. van Gijssel.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 5 februari 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor het Kantongerecht te Lelystad en gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 1.897,50, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 1.650,-- vanaf 29 december 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.

[Eiser] heeft de vordering bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd [verweerster] te veroordelen tot betaling van ƒ 2.700,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 1999.

[Verweerster] heeft deze vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 30 juni 1999 in conventie [eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van ƒ 1.650,-- met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 1998 tot de dag der voldoening, en in reconventie de vordering afgewezen.

Het vonnis van de Kantonrechter is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Kantonrechter heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn beroep en tot veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in cassatie.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Uit hetgeen hiervoor onder 1 werd overwogen blijkt dat het hier gaat om een zaak die op 5 februari 1999 bij de Kantonrechter aanhangig is gemaakt en dat daarbij in conventie en in reconventie geldvorderingen zijn ingesteld van ƒ 1.897,50 (conventie in totaal) en ƒ 2.700,70 (reconventie in totaal), tezamen derhalve een bedrag van ƒ 4.598,20 belopend.

Op grond van art. 38 RO, zoals dit artikel sinds 1 januari 1999 luidt, in verbinding met art. 253 lid 1 Rv., had [eiser] van het vonnis van de Kantonrechter bij de Rechtbank te Zwolle in hoger beroep kunnen komen. Dit brengt, gezien voorts art. 96 lid 1 RO, mee dat [eiser] in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard (zie overigens art. 340 Rv.).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 18 mei 2001.