Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1609

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-05-2001
Datum publicatie
05-03-2002
Zaaknummer
36336
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2001/318
BNB 2001/279
WFR 2001/721
V-N 2001/30.24 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36336

16 mei 2001

YS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 16 juni 2000, nr. 89/99, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ¦ 85.166.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is ondernemer. Daarnaast is hij werkzaam in dienstbetrekking. Belanghebbende heeft de beschikking over een personenauto die hij tot zijn ondernemingsvermogen rekent en waarvan hij de kosten ten laste van de winst brengt.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet is geslaagd in het bewijs dat de personenauto in het onderhavige jaar voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

3.3. In cassatie klaagt belanghebbende onder meer dat het Hof niet is ingegaan op zijn stelling dat de, in de door hem overgelegde kilometeradministratie opgenomen, kilometers die zijn gemaakt ten behoeve van zijn dienstbetrekking, niet als privégebruik zijn aan te merken.

3.4. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Indien een ondernemer de door hem gehouden personenauto, waarvan hij alle kosten ten laste van de winst brengt, mede gebruikt ten behoeve van een door hem uitgeoefende dienstbetrekking, zal voor de toepassing van artikel 42, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) dat laatstbedoelde gebruik als privé-gebruik moeten worden aangemerkt, tenzij een vergoeding voor de kosten van dat gebruik in de winst is opgenomen, of het loon uit dienstbetrekking deel uitmaakt van de winst uit onderneming. De stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat in het onderhavige geval geen sprake is van omstandigheden die een van de hiervóór genoemde uitzonderingsgronden van toepassing doen zijn, zodat het gebruik van de auto ten behoeve van de dienstbetrekking voor de toepassing van artikel 42, lid 5, van de Wet als privé-gebruik moet worden aangemerkt.

3.5. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.W.G.M. van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2001.