Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1597

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-2001
Datum publicatie
15-03-2004
Zaaknummer
00551/00 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB1597
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 24b
Wetboek van Strafrecht 24b
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafvordering 575
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 mei 2001

Strafkamer

nr. 00551/00 B

Hoge Raad der Nederlanden

Tussenbeschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 23 augustus 1999, parketnummer 09.929.672.97, op het bezwaarschrift van:

[veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, inhoudende verhaal op zijn goederen.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Deze heeft een schriftuur ingezonden. De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad in een tussenbeschikking de veroordeelde alsnog in de gelegenheid zal stellen aan zijn verplichting tot consignatie te voldoen door binnen een door de Hoge Raad te stellen termijn alsnog het verschuldigde bedrag te voldoen aan de Griffier van de Arrondissementsrechtbank en iedere verdere beslissing zal aanhouden.

De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de veroordeelde op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1. Klager is bij onherroepelijk vonnis van de Politierechter te ’s-Gravenhage van 15 december 1997 de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer in zijn strafzaak. Het vonnis is door de Officier van Justitie ter executie overgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) te Leeuwarden. Het CJIB heeft een dwangbevel uitgevaardigd dat aan de veroordeelde bij deurwaarders-exploit is betekend. De veroordeelde is vervolgens in verzet gekomen bij de Rechtbank tegen het dwangbevel, in welk verzet hij niet-ontvankelijk is verklaard. Zijn cassatieberoep is tegen die beslissing gericht.

3.2. Ingevolge art. 575, derde lid, Sv is de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven of tot hetwelk de rechter, van wie de beschikking afkomstig is, behoort.

3.3. De Griffier van de Rechtbank heeft de veroordeelde bij brief van 2 december 1999 in de gelegenheid gesteld om binnen 3 weken na de verzenddatum van die brief het nog verschuldigde bedrag en al de kosten te consigneren.

Overeenkomstig de gegevens van het dwangbevel en het exploit van de deurwaarder is de veroordeelde erop gewezen dat hij in totaal f. 993,59 diende te consigneren. Dat bedrag is samengesteld uit een bedrag van f. 778,68, zijnde de hoofdsom vermeerderd met verhogingen, en verder uit incassokosten en betekeningskosten.

Uit een brief van de Griffier van de Rechtbank aan de Griffier van de Hoge Raad van 26 juli 2000 blijkt dat binnen de gestelde termijn geen betaling van de veroordeelde is ontvangen.

3.4. Bij zijn beschikking van 20 juni 2000, nr. 4042 D, heeft de Hoge Raad beslist dat de officier van justitie noch aan art. 575 Sv noch aan enige andere wettelijke bepaling de bevoegdheid kan ontlenen om een dwangbevel uit te vaardigen voor een hoger bedrag dan wordt gevormd door de som van de oorspronkelijke geldboete en de ingevolge art. 24b, eerste en tweede lid, Sr daarop toegepaste verhogingen. Art. 24b, eerste tot en met vierde lid, is krachtens art. 36f, vierde lid, Sr van overeenkomstige toepassing verklaard op de schadevergoedingsmaatregel, met het gevolg dat voormelde beslissing in gelijke mate geldt voor ter incasso van schadevergoedingsmaatregelen uitgevaardigde dwangbevelen en deurwaardersexploiten.

3.5. Het vorenstaande brengt mee dat het dwangbevel ten onrechte mede de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van het deurwaardersexploit omvat en dat die kosten ook niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de vaststelling van het op de voet van art. 575, derde lid zesde volzin, Sv te betalen bedrag, bij gebreke van betaling waarvan de veroordeelde in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk is.

3.6. Gelet op het bovenstaande zal de veroordeelde alsnog in de gelegenheid worden gesteld om binnen de hieronder te vermelden termijn een bedrag van f. 778,68 bij wijze van consignatie te betalen en dient als volgt te worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Bepaalt dat de Griffier van de Hoge Raad de veroordeelde alsnog in de gelegenheid stelt aan zijn verplichting tot consignatie te voldoen door binnen een termijn van drie weken na verzending van deze tussenbeschikking een bedrag van f. 778,68 te voldoen aan de Griffier van de Rechtbank te ‘s-Gravenhage door overmaking van dat bedrag op bankrekening 19.23.25.795 ten name van D.S.537A Arrondissement Den Haag onder vermelding van kenmerk 09.926.672.97 en 99/630.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2001.