Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1571

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
11-12-2001
Zaaknummer
02680/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB1571
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 mei 2001

Strafkamer

nr. 02680/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 december 1999, nummer 21/001509-97, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 5 juni 1997 - de verdachte ter zake van 1. "het medeplegen van: verkrachting; meermalen gepleegd", 2. "het medeplegen van: feitelijke aanranding van de eerbaarheid; meermalen gepleegd", 3. "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" en 4. "eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”

veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie van het onder 4 bewezenverklaarde en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het eerste middel bevat de klacht, welke in een aantal onderdelen is uitgewerkt, dat de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde niet, althans onvoldoende naar de eis der wet met redenen is omkleed.

3.2. Het Hof heeft, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat zij

“op 27 maart 1996 in de gemeente Kampen opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten de hoofdagenten van de Regiopolitie IJsselland, district IJsseldelta, A.W.I. Volkerink en J. Dekker gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “lapzwans en teringteef en stom wijf en teringsnol en kutwijf”, en in de richting van deze ambtenaren, in elk geval duidelijk waarneembaar met de middelvinger omhoog, het zogenaamde “fuck-off” teken heeft gemaakt”.

3.3. In de eerste plaats wordt in het middel betoogd dat de bewezenverklaarde uitingen niet beledigend zijn in de zin van de wet. Voorzover aan die opvatting de stelling ten grondslag ligt dat dergelijke uitingen minder spoedig als beledigend kunnen worden bestempeld indien zij zijn gericht tot politieagenten, omdat dergelijke functionarissen uit hoofde van hun functie, waar het beledigende uitlatingen betreft, meer moeten kunnen verdragen dan anderen faalt de klacht, aangezien die stelling in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht.

3.4. In de tweede plaats wordt geklaagd over de bewezenverklaring van onderdelen van de tenlastelegging. Betoogd wordt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het woord “lapzwans” door de verdachte is toegevoegd aan de beide verbalisanten en dat het “fuck-off” teken voor beiden waarneembaar was.

3.5. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen luiden, voorzover voor de beoordeling van de klachten van belang:

- als verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 2):

“Ik erken dat ik op 27 maart 1996 in Kampen (…) twee hoofdagenten van de regiopolitie Ijsselland heb uitgescholden, waarbij ik de woorden “lapzwans, teringteef, stom wijf, teringsnol en kutwijf” gebezigd heb en met mijn middelvinger het fuck-offgebaar in de richting van een hunner heb gemaakt.”

- als relaas van de verbalisanten (bewijsmiddel 10):

“Op het districtsgebouw te Kampen werd zij in de passantenruimte geplaatst.

Ik, tweede verbalisant, was op dat moment de gegevens van de verdachte aan het natrekken bij de meldkamer te Zwolle en (bezig met) het opstarten van de adem-analysetest welke aan het bureau te Kampen zou worden uitgevoerd.

In afwachting van de tweede verbalisant vroeg verdachte aan mij, eerste verbalisant, waar die “lapzwans” bleef. Op mijn vraag wie ze daarmee bedoelde, werd mij medegedeeld dat zij hiermee de tweede verbalisant bedoelde. (…) Toen de eerste en de tweede verbalisant met verdachte (…) zich begaven naar een ruimte voor verhoor, zag ik, derde verbalisant, dat de verdachte haar middelvinger tweemaal opstak in de richting van eerste verbalisant.”

3.6. Uit deze bewijsmiddelen kan niet volgen dat, zoals is bewezen verklaard, de verdachte het woord “lapzwans” ook in tegenwoordigheid van de tweede verbalisant heeft geuit en evenmin dat de verdachte het “fuck-off” teken in de richting van beide verbalisanten, of in elk geval voor beiden waarneembaar, heeft gemaakt. In zoverre is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.

3.7. In zoverre is het middel gegrond.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat - nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou moeten worden vernietigd - de bestreden uitspraak voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde en van de strafoplegging niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde en van de strafoplegging;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 mei 2001.