Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1472

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
02894/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB1472
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 327
NJ 2001, 480
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 mei 2001

Strafkamer

nr. 02894/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op de beroepen in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 maart 2000, nummer 22/002050-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1965, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “de Schie” te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 3 augustus 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde en hem voorts terzake van 1. en 2. "medeplegen van doodslag, meermalen gepleegd", 3. "medeplegen van poging tot doodslag" en 4. "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot zestien jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof en door de verdachte.

Het beroep van de verdachte richt zich kennelijk niet tegen de gegeven vrijspraken. Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Advocaat-Generaal bij het Hof niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beroep en het beroep van de verdachte zal verwerpen.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de Advocaat-Generaal bij het Hof

Nu bij de Hoge Raad geen schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend, kan de Advocaat-Generaal ingevolge het bepaalde in art. 437, eerste lid, Sv in zijn beroep niet worden ontvangen.

4. Beoordeling van het middel

4.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed op de grond dat met name het bewezenverklaarde medeplegen en het opzet daarop niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid.

4.2. Het gaat in deze zaak om een verdachte ten laste van wie onder 1, 2 en 3 is bewezenverklaard - kort samengevat - dat hij op 10 januari 1999 te Gorinchem, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1], onderscheidenlijk [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven heeft beroofd, en voorts heeft gepoogd [slachtoffer 3] van het leven te beroven. Die bewezenverklaringen houden voor het overige telkens in dat de mededader van de verdachte op genoemde tijd en plaats kogels heeft afgevuurd op de toegangsdeur van (muziek)café Bacchus, in welk café genoemde slachtoffers zich bevonden.

4.3. Het Hof heeft op blz. 3 van het verkorte arrest onder het hoofd “Toelichting op de bewezenverklaring en verwerping van verweren” het volgende overwogen:

“8.1

Uit de bewijsmiddelen volgt in de eerste plaats dat de broer van verdachte heeft geschoten op de portier die hij aan de andere kant van de buitendeur van Bacchus zag, en dat de meisjes [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door een aantal van die schoten zijn getroffen.

8.2

Deze broer van verdachte heeft op 18 februari 1999 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op de zolder van Exile het pistool van de verdachte heeft afgepakt, omdat hij bang was voor de consequenties indien zijn broer het pistool bij zich zou houden. Het Hof hecht aan die verklaring geloof en komt op grond daarvan tot de conclusie dat niet bewezen kan worden dat de broer van de verdachte de schoten met voorbedachte raad heeft afgevuurd.

8.3

Dadelijk nadat zijn broer, op de zolder van Exile, hem, verdachte, het pistool heeft afgenomen, is verdachte naar beneden gestormd en richting Bacchus getogen, daarbij gevolgd door zijn broer en diens zwager. Enige minuten daarna zijn verdachte, zijn broer en diens zwager bij de buitendeur van Bacchus aangekomen met het vaste voornemen Bacchus binnen te gaan. Gelet op deze korte tijdspanne heeft verdachte er van moeten uitgaan dat de broer van verdachte het pistool nog bij zich had toen verdachte, zijn broer en diens zwager bij Bacchus aankwamen en daar (weer) naar binnen wilden.

8.4

Ter uitvoering van het plan Bacchus (weer) binnen te komen hebben verdachte, zijn broer en diens zwager tezamen heftig verbaal en lichamelijk geweld ontwikkeld, hoewel zij bemerkten dat de portiers die zij aan de andere kant van de buitendeur van Bacchus wisten, hen de toegang beletten, en die portiers uitgedaagd hen binnen te laten. Door aldus te handelen heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn broer hun gemeenschappelijk verlangen Bacchus binnen te komen kracht zou bij zetten door te schieten op de portier die deze door het ruitje in de deur van Bacchus zag. Voorts heeft verdachte zich tijdens voornoemd aan het schieten voorafgaand geweld op geen enkele wijze van dat geweld gedistantieerd, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is geweest.

8.5

Gelet op het voorafgaande heeft de verdachte te gelden als mededader van het afvuren van de kogels door de broer van de verdachte.

8.6

Kort voordat de broer van verdachte de schoten loste, waren verdachte, zijn broer en diens zwager uit Bacchus gezet. Op dat moment was het druk in Bacchus en het was dus - mede gelet op het tijdstip - te verwachten dat zich achter de buitendeur ook ander personen zouden kunnen bevinden dan een of meer portiers. Daardoor hebben verdachte en zijn broer willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toegenomen dat de afgevuurde schoten die ander personen zouden kunnen raken en dat die andere personen daarbij gedood zouden kunnen worden.

Verdachte en zijn broer hebben in die zin hun opzet gericht op het van het leven beroven van de hierboven in de onder 1., 2. en 3. bewezenverklaarde feiten genoemde slachtoffers.

8.7

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte van de onder 1., 2. en 3. bewezenverklaarde feiten moet worden vrijgesproken (a) omdat hij niet wist dat zijn broer het pistool vanuit Exile naar Bacchus had meegenomen en (b) omdat verdachte - gezien de karakterstructuur van zijn broer - niet behoefde te verwachten dat deze in staat zou zijn vuurwapengeweld te gebruiken.

De eerste stelling vindt haar weerlegging in het hiervoor, onder 8.3, overwogene.

Wat de tweede stelling betreft: Prof. Van Leeuwen heeft ter terechtzitting van het Hof, als deskundige gehoord, verklaard dat de broer van verdachte weliswaar zachtmoedig van aard is, doch - indien hij “op zijn tenen loopt” - zeer wel tot gewelddadigheid in staat is. Gewelddadigheid had de broer van verdachte die avond al eerder vertoond. Op grond daarvan had verdachte rekening moeten houden met de aanmerkelijke kans dat zijn broer zich bij de uitvoering van het gezamenlijk plan Bacchus (weer) binnen te komen gewelddadig zou betonen en de schoten zou afvuren die hij heeft afgevuurd. Op grond van dit een en ander faalt ook stelling (b)”.

4.4. Die overwegingen moeten, in onderlinge samenhang beschouwd, aldus worden verstaan dat tussen de verdachte en diens mededader van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking sprake was dat zij de feiten tezamen en in vereniging hebben gepleegd, meer in het bijzonder dat het voorwaardelijk opzet van de verdachte was gericht op het gebruik van het vuurwapen door zijn mededader en op de levensberoving van de slachtoffers.

Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is, mede gelet op de door het Hof vastgestelde gang van zaken voorafgaande aan het schieten en de actieve rol van de verdachte daarbij.

4.5. Het middel faalt dus.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Verklaart de Advocaat-Generaal bij het Hof niet-ontvankelijk in het beroep;

Verwerpt het beroep van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst en E.J. Numann in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 8 mei 2001.