Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1338

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-04-2001
Datum publicatie
24-04-2002
Zaaknummer
C99/275HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB1338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 75
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 294
NJ 2002, 213 met annotatie van J. Hijma
RvdW 2001, 96
JWB 2001/138
AA20010982 met annotatie van T. Hartlief
JOR 2001/247
RV 2014/111 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 april 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/275HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. G.C. Makkink,

t e g e n

1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Verweerder 2],

3. [Verweerder 3],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: voorheen mr. G. Snijders,

thans mr. H.A. Groen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - hebben bij exploit van 21 april 1994 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Rechtbank te Roermond en veroordeling van [eiseres] gevorderd tot betaling van ƒ 394.122,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 1994, alsmede tot vergoeding van de door [verweerder] ter zake vanaf week 13 1994 geleden schade, nader op te maken bij staat.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

Bij tussenvonnis van 11 mei 1995 heeft de Rechtbank een gerechtelijke plaatsopneming, een comparitie van partijen en een deskundigenbericht bevolen alsmede een deskundige benoemd.

Nadat de Rechtbank bij een tweede tussenvonnis een tweede deskundige had benoemd, heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 16 oktober 1997 de vorderingen van [verweerder] afgewezen.

Tegen de vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij memorie van antwoord heeft [eiseres] incidenteel beroep ingesteld.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidentele beroep en tot bekrachtiging van het tussenvonnis van 11 mei 1995, zonodig met verbetering van gronden.

Bij arrest van 26 april 1999 heeft het Hof [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 7 juni 1995, het vonnis van 16 oktober 1997 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiseres] veroordeeld tot vergoeding van schade, door [verweerder] geleden als gevolg van de levering door [eiseres] van een met Ethidimuron verontreinigd vat ijzerchelaat, deze schade op te maken bij staat, waarin begrepen de wettelijke rente vanaf 4 april 1994 en het incidentele beroep verworpen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal A.S. Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] exploiteert een rozenkwekerij. Als meststof gebruikt hij onder meer een ijzerhoudend product, ijzerchelaat, dat onder de merknaam BioFer op de markt wordt gebracht door Epenhuijsen Chemie en onder meer wordt verkocht door [eiseres].

(ii) Omstreeks 10 juni 1993 heeft [verweerder] van [eiseres] een vat BioFer gekocht en geleverd gekregen. [Verweerder] heeft het product vanaf medio juli 1993 in het druppelsysteem van de kwekerij in gebruik genomen en als voedings- en meststof toegediend aan de in zijn kassen gekweekte rozenplanten. De groei van de planten liep vervolgens snel terug, de bladontwikkeling werd minimaal, het blad vertoonde verdrogingsverschijnselen en de houdbaarheid na verkoop van de rozen liep sterk terug.

3.2 In dit geding heeft [verweerder] jegens [eiseres] de hiervoren onder 1 vermelde vordering ingesteld. [Verweerder] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat [eiseres] jegens haar wanprestatie heeft gepleegd dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door haar een voor rozen bestemde voedingsstof en meststof te leveren dat een herbicide bevatte, ten gevolge waarvan ernstige schade is ontstaan aan de door [verweerder] geteelde rozen. De Rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3.3 Het Hof heeft [eiseres] veroordeeld tot vergoeding van schade, door [verweerder] geleden als gevolg van de levering door [eiseres] van een vat met het herbicide Ethidimuron verontreinigd ijzerchelaat, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en dient te worden vereffend volgens de wet.

Het Hof heeft daartoe, voorzover in cassatie van belang, het volgende overwogen. In grief I heeft [eiseres] betoogd dat de overweging van de Rechtbank, die inhoudt dat de enkele omstandigheid dat het geleverde niet voldeed aan de overeenkomst, tot aansprakelijkheid van [eiseres] zou leiden, onjuist is. Het Hof oordeelt dat deze overweging van de Rechtbank niet kan worden aanvaard, aangezien de aansprakelijkheid rechtstreeks uit de non-conformiteit wordt afgeleid, zonder dat blijkt of de Rechtbank zich rekenschap heeft gegeven van de overige vereisten voor een zodanige aansprakelijkheid. Een en ander kan [eiseres] echter niet baten, aangezien naar het oordeel van het Hof voor industrieel vervaardigde zaken geldt dat naar verkeersopvattingen gebreken daaraan voor risico van de verkoper komen, ook als hij die gebreken niet kende noch behoorde te kennen.

3.4 Het Hof heeft voorts overwogen dat [eiseres] in beginsel aansprakelijk is als de ondeugdelijkheid van het geleverde komt vast te staan, aangezien gebreken aan het product voor risico komen van [eiseres] en van andere omstandigheden die desondanks tot overmacht moeten leiden, niet is gebleken. Gelet op het feit dat er geen exoneratiebeding gold, behoeft naar het oordeel van het Hof niet te worden onderzocht of en in hoeverre het voor een verkoper mogelijk is zich te exonereren voor verplichtingen die de kern van de verbintenis uitmaken.

3.5 Het middel richt zich tegen het hiervoor in 3.3 vermelde oordeel. Het strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verkeersopvattingen meebrengen dat er een rechtsregel bestaat, die onafhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval ertoe leidt dat voor industrieel vervaardigde zaken geldt dat gebreken daaraan voor risico van de verkoper komen, ook als hij de gebreken niet kende noch behoorde te kennen. Daarbij dient er volgens het middel tevens van te worden uitgegaan dat het gebrek geheel buiten toedoen van [eiseres] is ontstaan en dat [eiseres] de zaken niet zelf heeft geproduceerd.

3.6 Bij de beoordeling van de vraag of [eiseres] gehouden is de door [verweerder] geleden schade te vergoeden heeft als uitgangspunt te gelden dat het ijzerchelaat door de verontreiniging met Ethimiduron niet aan de overeenkomst beantwoordde. Er is derhalve sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, die ingevolge art. 6:74 BW tot schadevergoeding verplicht, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Nu in cassatie, in ieder geval veronderstellenderwijs, ervan moet worden uitgegaan dat [eiseres] het ijzerchelaat niet zelf heeft geproduceerd, dat het gaat om een gebrek dat geheel buiten haar toedoen is ontstaan en dat zij kende noch behoorde te kennen, zodat de tekortkoming niet aan haar schuld is te wijten, terwijl de tekortkoming evenmin krachtens de wet of een rechtshandeling voor haar rekening komt, moet, zoals het Hof met juistheid heeft overwogen, de vraag of zij aan [eiseres] moet worden toegerekend, worden beantwoord aan de hand van de in het verkeer geldende opvattingen (art. 6:75).

De verkeersopvattingen brengen mee dat in een geval als het onderhavige een tekortkoming bestaande in een gebrek van een verkocht product in beginsel voor rekening van de verkoper komt, ook als deze het gebrek kende noch behoorde te kennen. Dit zal slechts anders kunnen zijn in geval van, door de verkoper zo nodig te bewijzen, bijzondere omstandigheden. Het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden, waarop in het onderhavige geval overigens geen beroep is gedaan, zal niet snel mogen worden aangenomen. Dit een en ander vindt ook steun in de parlementaire geschiedenis van het te dezen niet toepasselijke, immers voor consumentenkoop geldende art. 7:24 (vgl. hetgeen daaromtrent is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp onder 9, met name noot 5).

Voor zover het middel onder 7 klaagt dat de door het Hof aanvaarde regel een feitelijke risicoaansprakelijkheid voor de leverancier van "industrieel vervaardigde zaken" introduceert, miskent het dat volgens het uitgangspunt van art. 6:74 deze leverancier aansprakelijk is, tenzij de tekortkoming hem op de voet van art. 6:75, onder meer krachtens in het verkeer geldende opvattingen, niet kan worden toegerekend. Evenmin valt in te zien waarom deze regel op gespannen voet zou staan met de regeling van de productenaansprakelijkheid, die niet op contractuele aansprakelijkheid maar op aansprakelijkheid uit de wet betrekking heeft, en de daarmee verband houdende regeling van art. 7:24 lid 2. Aan de in deze bepaling neergelegde regeling van de aansprakelijkheid van de leverancier in geval van consumentenkoop ligt de gedachte ten grondslag dat hij, anders dan in een geval als het onderhavige, zijn aansprakelijkheid jegens de consument niet kan beperken of uitsluiten.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het oordeel van het Hof juist is, zodat onderdeel 1 faalt.

3.7 De in onderdeel 2 vervatte motiveringsklacht kan niet tot cassatie leiden, nu zij zich richt tegen een rechtsoordeel van het Hof.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 1.952,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 27 april 2001.