Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB1271

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2001
Datum publicatie
26-03-2002
Zaaknummer
02589/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB1271
Terugverwijzing naar: ECLI:NL:GHSGR:2004:AO6341
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 279
NJ 2002, 107 met annotatie van T.M. Schalken
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 april 2001

Strafkamer

nr. 02589/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 18 april 2000, nummer 20/002454-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “De Oosterhoek” te Grave.

1. De bestreden uitspraak

2.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 12 oktober 1999 - de verdachte ter zake van 1. “doodslag” en 2. “openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen” veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is, voorzover voor de beoordeling van de middelen van belang, aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman van de verdachte op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof als bewijsmiddelen 26 en 27 telkens voor het bewijs heeft gebezigd een ambtsedig proces-verbaal houdende telefonische mededelingen van personen wier identiteit niet blijkt, zulks ondanks het feit dat de verdachte de wens te kennen heeft gegeven de bedoelde personen te ondervragen en te doen ondervragen.

4.2. De tot het bewijs gebezigde inhoud van de als bewijsmiddel 26 en 27 gebezigde processen-verbaal van politie behelzen aan de politie verstrekte informatie afkomstig van personen wier identiteit niet blijkt. Die bewijsmiddelen moeten , ieder afzonderlijk, dan ook worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid houdende de ver-klaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt , als bedoeld in art. 344, derde lid, Sv.

4.3. Art. 344, derde lid, Sv luidt als volgt:

"Een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kan alleen medewerken tot het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, indien tenminste aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. de bewijsbeslissing vindt in belangrijke mate steun in andersoortig bewijsmateriaal, en

b. door of namens de verdachte is niet op enig moment in het geding de wens te kennen gegeven om de in de aanhef bedoelde persoon te ondervragen of te doen ondervragen".

4.4. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt omtrent de onder 4.2 genoemde personen wier identiteit niet blijkt, het volgende in:

"Bij deze stelt cliënt dan ook uitdrukkelijk dat hij de betreffende personen wenst te ondervragen danwel te doen ondervragen, zulks als bedoeld in artikel 344 lid 3 sub b Sv".

4.5. Gelet op het vorenstaande stond het bepaalde in art. 344, derde lid, Sv in de weg aan het gebruik van de bedoelde processen-verbaal voor het bewijs. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof zonder nadere motivering voor het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde gebruik heeft gemaakt van schriftelijke bescheiden die verslagen inhouden van vertaalde afgeluisterde telefoongesprekken, ondanks het feit dat omtrent de betrouwbaarheid van de vertaling van deze gesprekken uitdrukkelijk en gemotiveerd door de raadsman van de verdachte een verweer is gevoerd.

5.2.1. In de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft het Hof onder de nummers 28, 29 en 30 als bewijsmiddelen opgenomen de schriftelijke weergaven van telefoongesprekken. Daarbij is steeds vermeld dat het gesprekken in een vreemde taal betreft en dat deze gesprekken woordelijk vertaald zijn.

5.2.2. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman een verweer gevoerd omtrent de betrouwbaarheid van de vertalingen van deze telefoongesprekken. Dat verweer komt op het volgende neer:

De gesprekken werden gevoerd in het Sinti, een zigeunertaal. De vertaling van deze gesprekken is verzorgd door het “Übersetzüngsbüro Pantelitsch” in Mainz (Duitsland). Uit een zich bij de stukken bevindende brief van dit vertaalbureau blijkt dat de heer Pantelitsch zelf de Sinti-taal slechts voor 25% beheerst, doch dat hij zich bij zijn vertaalwerk bedient van een "Muttersprachler" omtrent wie echter niets bekend is, zodat terzake geen enkele controle mogelijk is. Het verweer mondt uit in de volgende slotsom:

"de beziging van Pantelitsch als tolk c.q. vertaler is in strijd met art. 6 EVRM omdat er in casu onvoldoende sprake is van toezicht op de kwaliteit van de vertaling c.q. vertolking, in welk geval het desondanks bezigen van dergelijke verklaringen in strijd is met een faire procedure. Dat klemt temeer nu er niet eens sprake is van beëdiging door de Nederlandse rechter".

5.3. Voorzover het middel betoogt dat het Hof de weergave van de telefoongesprekken slechts tot het bewijs had mogen bezigen indien het gesprokene was vertaald door beëdigde vertalers, stelt het een eis die geen steun vindt in het recht, in het bijzonder niet in art. 6 EVRM.

5.4. Voor de beoordeling van het middel voor het overige moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt. Daarbij mag de rechter datgene terzijde stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft in beginsel geen motivering.

5.5. Gelet op het hiervoor weergegeven gemotiveerde verweer van de raadsman dat enerzijds betrekking heeft op de beheersing van de Sinti-taal door degene die verantwoordelijk is voor de vertaling en anderzijds op de wijze waarop de vertaling van op een geluidsband opgenomen telefoongesprekken is tot stand gekomen, had het Hof in dit geval verantwoording behoren af te leggen van zijn oordeel dat de bewijsmiddelen een betrouwbare weergave behelzen van de inhoud van die telefoongesprekken. Voorzover het middel klaagt dat zodanige verantwoording in het bestreden arrest ontbreekt, is het terecht voorgesteld.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor onder 4 en 5 is overwogen mee dat de overige middelen geen bespreking behoeven en dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen omtrent het onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 17 april 2001.