Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0801

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2001
Datum publicatie
11-09-2001
Zaaknummer
C00/083HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB0801
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 412 met annotatie van Th.G. Drupsteen
JOL 2001, 214
NJ 2003, 615 met annotatie van M. Scheltema
RvdW 2001, 71
VR 2002, 12
AV&S 2001, p. 154 met annotatie van B.P.M. van Ravels
Gst. 2001-7143, 3 met annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens
O&A 2002, p. 28 (nr.3)
JRV 2001, 343
JWB 2001/91
AA20010657 met annotatie van L.J.A. Damen
JB 2001/107 met annotatie van R.J.N. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 maart 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/083HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

gevestigd te 's-Gravenhage,

EISER tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerder,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

[Verweerster], wonende te [woonplaats] (België),

VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseres,

advocaat: mr. M.A. Leijten.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 20 december 1995 eiser tot cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en veroordeling van de Staat gevorderd tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van ƒ 17.201,92, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 13.942,74 vanaf 25 juni 1993 en met de wettelijke rente over ƒ 3.259,18 vanaf de dag der dagvaarding.

De Staat heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 oktober 1997 een comparitie van partijen gelast, [verweerster] en de Staat tot bewijslevering toegelaten en voor het overige iedere beslissing aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 18 november 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd en de zaak terugverwezen naar de Rechtbank te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het principaal beroep.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 4 januari 2001 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerster] heeft in 1990 twee in [plaats B] gelegen varkensstallen met aanhorigheden gehuurd van [de verdachte]. Zij exploiteerde in de stallen, die deel uitmaakten van een aan [de verdachte] in eigendom toebehorend bedrijfsterrein met opstallen, plaatselijk bekend als [a-straat 1], een mestvarkensbedrijf.

(ii) Op 14 juni 1993 heeft de raadkamer van de rechtbank te Breda in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek tegen [de verdachte] verlof verleend aan de rechter-commissaris tot het doen van huiszoeking ter inbeslagneming in het pand [a-straat 1] te [plaats B], alsmede de zich bij dat pand bevindende aanhorigheden. Tegen [de verdachte] bestond de verdenking van overtreding van de Opiumwet.

(iii) Rond 25 juni 1993 heeft de rechter-commissaris, bijgestaan door het Regionaal Recherche Team en de Algemene Inspectiedienst de huiszoeking verricht. Daarbij zijn ook de door [verweerster] gehuurde stallen doorzocht, maar daar is niets in beslag genomen. [verweerster] is in de zaak nooit als verdachte aangemerkt.

(iv) [De verdachte] is ter zake van overtreding van de Opiumwet veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf.

3.2 Aan haar onder 1 vermelde vordering tot schadevergoeding, welke grotendeels betrekking heeft op schade ten gevolge van groeivertraging en schade ten gevolge van slechtere voedselconversie (tezamen ƒ 8784,39) en voor een bedrag van ƒ 3801,45 op veterinaire kosten, heeft [verweerster] ten grondslag gelegd dat ambtenaren voor wier handelen de Staat aansprakelijk is, bij het doorzoeken van de stallen schade hebben toegebracht, welke niet is vergoed. Naar de opvatting van [verweerster] is dit onrechtmatig, nu zij niet als verdachte werd aangemerkt en overigens niets te maken had met de verdenking die tegen [de verdachte] bestond. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat het optreden van de bedoelde ambtenaren onrechtmatig is geweest omdat zij bij de huiszoeking onzorgvuldig te werk zijn gegaan, in het bijzonder doordat zij een of meer deuren, essentieel voor het ventilatiesysteem, enige tijd hebben laten openstaan, hetgeen nadelige gevolgen heeft gehad voor de gezondheid en daardoor voor de groei van de mestvarkens.

3.3 De Rechtbank heeft geoordeeld dat "het onderhavige optreden van justitie", hoezeer dit ook in strafrechtelijk opzicht volkomen gerechtvaardigd was, jegens [verweerster] - een derde tegen wie nooit enige verdenking heeft bestaan - als onrechtmatig dient te worden aangemerkt indien de Staat de schade die zij door dit optreden heeft geleden niet voor zijn rekening neemt. Na nog te hebben overwogen dat in verband met dit oordeel de stelling van [verweerster] dat bij de huiszoeking onzorgvuldig is opgetreden geen bespreking meer behoefde, heeft de Rechtbank een comparitie van partijen gelast en zowel [verweerster] als de Staat tot bewijs toegelaten.

3.4 Het Hof heeft de enige, tegen voormeld oordeel gerichte, grief van de Staat verworpen. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

"5.2 Het hof oordeelt dat die inval en het toebrengen van schade op zichzelf onrechtmatige inbreuken vormen op subjectieve rechten van [verweerster] (voortvloeiend uit haar huurrecht van de stallen en haar eigendomsrecht van de zich daarin bevindende varkens ), maar dat zij die inbreuken behoorde te dulden op grond van de zwaarwegende maatschappelijke belangen, die met de inval waren gediend en omdat daarbij aan de wettelijke waarborgen, die in het kader van strafvordering voor het maken van die inbreuken zijn gesteld is voldaan.

5.3 Volgens het hof is die inbreuk ten opzichte van [verweerster] onrechtmatig, indien daardoor aan haar onevenredig nadeel is berokkend, dat haar niet is vergoed.

5.4 Het hof acht onevenredig nadeel aanwezig, voorzover dat het nadeel overtreft dat tot het normale (bedrijfs)risico behoort, waarmee [verweerster] in het maatschappelijk verkeer heeft rekening te houden.

Voor [verweerster], tegen wie geen verdenking van een strafbaar feit bestond en van wie de Staat niet heeft gesteld dat zij er rekening mee behoorde te houden dat [de verdachte] betrokken was bij strafbare feiten in verband met verdovende middelen en die stallen gebruikte om die middelen te verbergen, behoort mogelijk tot de normale (bedrijfs)risico's dat bij haar in het kader van een tegen [de verdachte] lopend strafrechtelijk onderzoek huiszoeking wordt gedaan, maar niet dat daarbij aan haar eigendommen of anderszins aangerichte schade onvergoed blijft.

5.5 Daaruit volgt dat volgens het hof alle tengevolge van de inval veroorzaakte schade onevenredig is. [Verweerster] behoefde daarom geen genoegen te nemen met de buiten rechte aangeboden - gedeeltelijke - tegemoetkoming in die schade.

5.6 De omstandigheid dat [verweerster], naar de Staat heeft aangevoerd, haar schade van [de verdachte] zou kunnen vorderen, brengt niet mee dat zij de Staat, die de (door het hof als onevenredig aangemerkte) schade heeft toegebracht, niet ook voor vergoeding ervan kan aanspreken.”

3.5 Zoals uit het vorenstaande blijkt, heeft ook het Hof bij zijn oordeel dat de Staat alle door [verweerster] tengevolge van de huiszoeking geleden schade dient te vergoeden, in het midden gelaten of, zoals [verweerster] subsidiair aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, sprake is van schade die is veroorzaakt doordat bij de huiszoeking onzorgvuldig is opgetreden, hierna ook wel aan te duiden als "nodeloze schade".

3.6 Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het Hof in rov. 5.2, dat de inval en het toebrengen van schade op zichzelf onrechtmatige inbreuken vormen op de subjectieve rechten van [verweerster], als onjuist. Naar het onderdeel betoogt, zijn de inval en het toebrengen van schade rechtmatig nu het Hof - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld dat het onderhavige strafvorderlijk optreden in overeenstemming is met de toepasselijke regels van strafprocesrecht, en komt de rechter dan niet meer toe aan de vraag of [verweerster] de inval en het toebrengen van schade behoorde te dulden op grond van zwaarwegende maatschappelijke belangen.

Het onderdeel, dat met schade klaarblijkelijk niet "nodeloze schade" als hiervoor in 3.5 bedoeld op het oog heeft, is in zoverre terecht voorgesteld dat een huiszoeking die voldoet aan de voor dit dwangmiddel geldende geschreven en ongeschreven regels van strafprocesrecht ook jegens daarbij betrokken derden als [verweerster] rechtmatig is. Dit kan de Staat evenwel niet baten omdat die rechtmatigheid niet beslissend is voor het antwoord op de in dit geding aan de orde zijnde vraag of het bij een op zichzelf rechtmatige huiszoeking toebrengen van schade als die welke het onderdeel op het oog heeft rechtmatig is: het enkele feit dat een huiszoeking overeenkomstig de regels van strafvordering is geschied, staat niet in de weg aan het oordeel dat het daarbij toebrengen van zodanige schade onrechtmatig kan zijn. Onderdeel 1 treft derhalve geen doel.

3.7 De onderdelen 2a en 2b richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de rov. 5.3 - 5.5. Hetgeen het Hof daar overweegt, komt erop neer dat het bij de huiszoeking toebrengen van onevenredig nadeel aan [verweerster] jegens haar onrechtmatig is, dat van onevenredig nadeel sprake is nu het onvergoed blijven van schade die haar bij de in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen [de verdachte] gedane huiszoeking is toegebracht, niet behoort tot het normale (bedrijfs)risico waarmee [verweerster] in het maatschappelijk verkeer heeft rekening te houden, en dat derhalve alle schade waarvoor in dit geding vergoeding wordt gevorderd als onevenredig nadeel kan worden aangemerkt.

3.8 Bij de beoordeling van deze beide onderdelen dient het volgende te worden vooropgesteld. Een van de verschijningsvormen van het gelijkheidsbeginsel is de regel dat de onevenredig nadelige, - dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld (vgl. HR 8 januari 1991, nr. 14.096, NJ 1992, 638, ABRvS, 6 mei 1997, AB 1997, 229, alsmede art. 3:4 lid 2 Awb). Uit deze regel vloeit voort dat het toebrengen van zodanige onevenredige schade bij een op zich zelf rechtmatige overheidshandeling als de onderhavige huiszoeking jegens de getroffene onrechtmatig is. In zoverre levert een door de rechtbank verleend verlof tot het doen van huiszoeking dus geen rechtvaardigingsgrond op voor het toebrengen van schade.

3.9 Onderdeel 2a(i) klaagt dat de door het Hof in rov. 5.4. genoemde omstandigheden nog niet meebrengen dat sprake is van onevenredig nadeel, ongeacht of dit nu wel of niet tot het normale maatschappelijk risico van [verweerster] behoort, terwijl onderdeel 2a(ii) bestrijdt dat het feit dat sprake is van onevenredig nadeel of nadeel dat niet tot het normale maatschappelijk risico van [verweerster] behoort, meebrengt dat de Staat onrechtmatig handelen kan worden verweten dan wel een vergoedingsplicht van de Staat bestaat.

Uit hetgeen hiervoor onder 3.8 is overwogen volgt dat onderdeel 2a(ii) faalt.

Onderdeel 2a(i) treft evenmin doel. 's Hofs oordeel dat [verweerster] onevenredig nadeel is toegebracht geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als berustende op waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het behoefde tegen de achtergrond van het tussen partijen gevoerde debat ook geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven.

3.10 Voorzover onderdeel 2b berust op het hiervoor onjuist bevonden uitgangspunt dat strafvorderlijk optreden dat plaatsvindt in overeenstemming met de daarvoor geldende regels rechtmatig is en dat een derde die als gevolg van dat optreden schade lijdt derhalve in beginsel zelf die schade dient te dragen, faalt het.

Het faalt ook voorzover het klaagt over onvoldoende motivering van 's Hofs oordeel dat alle door [verweerster] in dit geding gevorderde schade, voorzover het bewijs daarvan zou worden geleverd, als onevenredig, en derhalve voor vergoeding in aanmerking komend, moet worden aangemerkt. Dit oordeel behoefde in het licht van het door partijen in de feitelijke instanties omtrent de schade gevoerde debat geen nadere motivering dan door het Hof in rov. 5.4 is gegeven.

3.11 Onderdeel 3 richt zich met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen de verwerping in rov. 5.6 van het betoog van de Staat dat [de verdachte] door zijn strafbare handelingen het strafvorderlijk optreden over zichzelf en over zijn huurster, [verweerster], heeft afgeroepen, dat [verweerster] door met [de verdachte] te contracteren een risico heeft genomen, en dat zij zich nu dat risico zich heeft verwezenlijkt met haar vordering tot schadevergoeding tot [de verdachte] dient te richten, en niet tot de Staat, aan wie noch dat risico noch de verwezenlijking daarvan kan worden toegerekend.

Het onderdeel faalt. De bestreden overweging van het Hof moet aldus worden begrepen dat, aangenomen dat [verweerster] aanspraak erop heeft dat de door haar geleden schade door [de verdachte] zou worden vergoed, zulks niet eraan in de weg staat dat ook de Staat is gehouden de door [verweerster] geleden schade te vergoeden en het haar derhalve vrij stond de Staat tot vergoeding van haar schade aan te spreken. Aldus opgevat geeft 's Hofs oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk.

3.12 Nu de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld niet is vervuld, komt dit niet aan de orde.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principaal beroep;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 792,20 aan verschotten en ƒ 3000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 30 maart 2001.