Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0286

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
35151
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB0286
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 393 met annotatie van Van Waaijen
FED 2001/181
BNB 2001/198
WFR 2001/298
V-N 2001/17.26

Uitspraak

Nr. 35151

28 februari 2001

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 december 1998, nr. P97/20979, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 86.723, waarover is verschuldigd aan inkomstenbelasting ƒ 20.877 en ƒ 13.969 aan premie volksverzekeringen, verminderd met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting van ƒ 20.399.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard en de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal Wattel heeft op 20 juli 2000 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Op 28 juli 2000 heeft de Advocaat-Generaal een aanvullende conclusie genomen.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende woonde in het onderhavige jaar, 1995, in Nederland. Hij was dat jaar in dienst van een in Nederland gevestigde besloten vennootschap, maar werkte in het Verenigd Koninkrijk. Zijn Nederlandse werkgeefster heeft Nederlandse premies volksverzekeringen ingehouden en afgedragen. Volgens twee verklaringen van 3 januari 1995 (detacheringsverklaring voor de periode van 21 november 1994 tot en met 20 november 1995) en 6 februari 1996 (verlenging van de detacheringverklaring voor de periode 21 november 1995 tot en met 20 november 1996), afgegeven door de Sociale Verzekeringraad respectievelijk de Sociale Verzekeringsbank op grond van respectievelijk artikel 14, lid 1, letter a, en artikel 17 van de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971, nr. 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71), bleef op belanghebbende gedurende het gehele jaar de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing.

Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995 is het bedrag van de verschuldigde premies volksverzekeringen vastgesteld op f 13.969.

3.2. In geschil is of belanghebbende in 1995 premies volksverzekeringen verschuldigd is.

Het Hof heeft geoordeeld dat het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid, gedurende het onderhavige jaar, voor belanghebbende geen premieplicht ingevolge de volksverzekeringen meebracht. De middelen gaan uit van dezelfde opvatting en strekken ten betoge dat, anders dan het Hof vervolgens heeft geoordeeld, de Wet verduidelijking verzekerings- en premieplicht (Stb. 1998, nr. 267) niet alsnog tot premieplicht voor belanghebbende kon leiden.

3.3. Belanghebbende was in 1995 ingezetene van Nederland. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat slechts de omstandigheid dat hij in 1995 gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verrichtte, ingevolge het bepaalde in artikel 10, lid 1, van het toen geldende Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden 1989 (hierna: BUB 1989) zou meebrengen dat hij werd uitgesloten van de kring van personen die én verzekerd én premieplichtig waren voor de volksverzekeringen. Voormelde bepaling mist in de onderhavige situatie echter die werking, nu zij onverenigbaar is met Vo. 1408/71, en derhalve buiten toepassing moet blijven. Naar in cassatie niet in geschil noch redelijkerwijs voor twijfel vatbaar is, is immers op grond van artikel 14, lid 1, letter a, respectievelijk door toepassing van artikel 17 van Vo. 1408/71, in 1995 de socialezekerheidswetgeving van Nederland op belanghebbende van toepassing gebleven. Met de terzijdestelling van artikel 10, lid 1, van het BUB 1989 vervalt de grond belanghebbende uitgezonderd te achten van de premieplicht waaraan hij volgens de normale regels van de volksverzekeringswetten als ingezetene van Nederland in 1995 was onderworpen. Door het laatste onderscheidt het geval van belanghebbende zich van het geval waarop betrekking heeft het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1997, nr. 31540, BNB 1997/310. In laatstbedoeld geval betrof het een belanghebbende, die geen ingezetene van Nederland was en ten aanzien van wie deswege, zowel voor als na het in aanmerking nemen van het effect van Vo. 1408/71, in de Nederlandse socialezekerheidswetgeving een grondslag ontbrak om hem te kunnen rekenen tot de kring van premieplichtige personen.

3.4. Uit het hiervóór in 3.3 overwogene volgt dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld en anders dan waarvan de middelen uitgaan, los van het bepaalde in de Wet verduidelijking verzekerings- en premieplicht, belanghebbende in 1995 aan premieplicht voor de volksverzekeringen was onderworpen. De middelen, die zich alle richten op de implicaties van voormelde wet, kunnen derhalve bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 28 februari 2001 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet en P. Lourens in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in uitgesproken.