Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0284

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
05-03-2002
Zaaknummer
36062
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2001/195
FED 2001/515
BNB 2001/271
WFR 2001/303, 1
V-N 2001/15.21

Uitspraak

Nr. 36062

28 februari 2001

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (België) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 23 februari 2000, nr. BK-98/03027, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1988 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van f 109.320, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 1.365.736, zonder verhoging. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende was tot 1 februari 1988 houder van 2340 certificaten van aandelen in B.V. A, een fiscale beleggingsinstelling, opgericht in 1983, waarvan de aandelen werden gehouden door de Stichting B (hierna: de Stichting).

A B.V. belegde sinds haar oprichting haar vermogen in rentespaarbrieven, welke zij fiscaal steeds op de kostprijs of lagere beurswaarde bleef waarderen. In 1987 werden de rentespaarbrieven verkocht en werd de opbrengst herbelegd. Als gevolg van deze verkoop behaalde A B.V. in 1987 een aanzienlijke fiscale winst.

Blijkens de door de accountant goedgekeurde jaarrekening diende A B.V. in verband met de aan haar status als fiscale beleggingsinstelling verbonden uitdelingsverplichting van deze winst uiterlijk in augustus 1988 aan haar aandeelhouders f 17.037.874 ter beschikking te stellen. Op 14 januari 1988 is in een algemene vergadering van de certificaathouders de jaarrekening van A B.V. ongewijzigd vastgesteld.

Op 1 februari 1988 zijn alle (gecertificeerde) aandelen verkocht aan een bankinstelling. De koopsom werd bepaald op de intrinsieke waarde van de onderneming, verminderd met 1,5 percent. Verhoging of verlaging van de intrinsieke waarde per 1 februari 1988 zou tot aanpassing van de koopsom leiden. Bij deze verkoop garandeerde de bank dat zij vóór 1 september 1988 aan de uitdelingsverplichting van A B.V., welke voorlopig werd gesteld op f 17.004.874, zou voldoen.

Op 10 augustus 1988 besloot de algemene vergadering van aandeelhouders van A B.V. tot uitkering van een dividend groot f 17.037.874, welk dividend per 22 augustus 1988 betaalbaar werd gesteld.

De Inspecteur heeft, onder aftrek van de door de bank bij de aankoop in rekening gebrachte korting van 1,5 percent, een evenredig deel van dit dividend aangemerkt als door belanghebbende te zijn genoten uit de eerder door hem gehouden certificaten. Op dit dividend heeft de onderwerpelijke navorderingsaanslag betrekking.

3.2. Voor het Hof was niet in geschil dat in de gegeven situatie het met de verkoop van de certificaten behaalde voordeel voor belanghebbende een met dividend op één lijn te stellen bate oplevert. Met betrekking tot de vraag naar welk tarief deze bate moet worden belast, heeft het Hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 december 1969, nr. 16251, BNB 1970/47, geoordeeld dat ten aanzien van dit dividend het bijzondere tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1988; hierna: de Wet) geen toepassing kan vinden. Tegen laatstvermeld oordeel richt zich het middel.

3.3. In het onderhavige geval gaat het om vervangende inkomsten die alleen langs de weg van artikel 31, lid 1, van de Wet in de inkomstenbelasting kunnen worden betrokken. Op zodanige inkomsten is het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet van toepassing. Anders dan in het geval van het hiervóór in 3.2 genoemde arrest, verzet de strekking van laatstgenoemd artikel zich er niet tegen dit tarief op de onderhavige inkomsten van toepassing te achten.

3.4. Het middel is derhalve gegrond. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede die van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 1.365.736, waarvan een bedrag van f 1.256.416 belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet (tekst 1988),

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigds geworden griffierecht ten bedrage van f 160, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van f 80, derhalve in totaal f 240,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1420 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 3550 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst aan de Staat als rechtspersoon die de bij het Hof gemaakte kosten moet vergoeden.

Dit arrest is vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2001.