Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0279

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35918
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer 2, geldigheid: 2001-02-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 364 met annotatie van Monteiro
PW 2001, 21315
BNB 2001/171
FED 2001/190
WFR 2001/301, 1
V-N 2001/15.31

Uitspraak

Nr. 35918

28 februari 2001

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 15 november 1999, nr. 96/02311, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging van de economische eigendom van een onroerende zaak een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van f 23.094, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Met dagtekening 20 maart 1995 heeft de eigenaar van een boerderij (hierna: de verkoper) aan een makelaar schriftelijk opdracht gegeven tot het verlenen van bemiddeling bij de verkoop van die boerderij. In de bemiddelingsovereenkomst is onder meer bepaald:

“Opdrachtgever stemt er mee in dat de makelaar optie verstrekt zonder voorafgaand overleg en dat hij met de hem ten dienste staande middelen het object ter kennis brengt aan derden.”

3.1.2. Een op briefpapier van bedoelde makelaar opgestelde onderhandse akte betreffende de verkoop van de economische eigendom van die boerderij is op 31 maart 1995, om ongeveer 15.00 uur, door de directeur van belanghebbende ondertekend. Die koopakte is door de verkoper op 6 april 1995 ondertekend.

3.1.3. Bij notariële akte van 18 mei 1995 is de economische eigendom van de boerderij overgedragen aan belanghebbende (hierna: de koper).

3.1.4. Vóór 31 maart 1995, 18.00 uur, hadden de koper en de verkoper mondeling overeenstemming bereikt over de verkoop.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de overdracht van de economische eigendom aan de koper het gevolg was van een vóór 31 maart 1995, 18.00 uur, gesloten schriftelijke overeenkomst. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat, zakelijk weergegeven, vóór dat tijdstip sprake was van een schriftelijk aanbod van de verkoper, nu deze blijkens de in 3.1.1 vermelde bemiddelingsopdracht de makelaar opdracht had gegeven zonder voorafgaand overleg als zijn vertegenwoordiger optie te verlenen, dat wil zeggen - aldus het Hof - de boerderij ten verkoop aan te bieden tegen een koopsom van f 395.000 onder door de makelaar vast te stellen voorwaarden, en de makelaar - kennelijk hiervan gebruik makende en als vervolg op een op 27 maart 1995 door de verkoper en de koper gehouden bespreking - de in 3.1.2 genoemde koopakte heeft opgesteld, en voorts dat dit schriftelijke aanbod vóór 31 maart 1995, 18.00 uur, schriftelijk is aanvaard door de ondertekening namens de koper.

3.3. De tegen dit oordeel gerichte klacht is gegrond. Voor de toepassing van artikel V, lid 4, van de Wet van 18 december 1995, Stb. 659, kan worden aangenomen dat ingeval een door de ene partij schriftelijk gedaan aanbod door de andere partij schriftelijk wordt aanvaard deze stukken samen een schriftelijke overeenkomst in de zin van die bepaling opleveren indien zowel het aanbod als de aanvaarding daarvan op het beslissende tijdstip op schrift zijn gesteld en ondertekend. De in 3.1.1 genoemde bemiddelingsopdracht is evenwel geen aanbod tot verkoop. Ook de in 3.1.2 genoemde, vóór het beslissende tijdstip alleen namens de koper ondertekende, koopakte kan niet als een schriftelijk aanbod van de verkoper worden aangemerkt, omdat die akte toen niet door of namens de verkoper was getekend. Evenmin vormen deze beide stukken gezien in onderlinge samenhang en in verband met de door het Hof in 4.7 en 4.8 van zijn uitspraak vermelde omstandigheden een schriftelijk aanbod van de verkoper. Door de ondertekening van de koopakte namens de koper is dus niet een schriftelijk aanbod aanvaard en een en ander levert samen niet een schriftelijke overeenkomst op als bedoeld in voormeld artikel V, lid 4.

3.4. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat op 31 maart 1995, 18.00 uur, ook verder geen, door of namens de verkoper aan de koper gedaan, schriftelijk aanbod bestond. De onderwerpelijke verkrijging is derhalve niet het gevolg van een op 31 maart 1995, 18.00 uur, bestaande schriftelijke overeenkomst, zodat het middel terecht is voorgesteld. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2001.