Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0263

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-02-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01738/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB0263
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 126, geldigheid: 2001-02-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 169
NJ 2001, 309

Uitspraak

27 februari 2001

Strafkamer

nr. 01738/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het

Gerechtshof te Arnhem van 26 januari 2000, parketnummer 21/002137-99, in de

strafzaak tegen:

[verdachte], geboren in [..] (Suriname) op [geboortedatum] 1971, wonende te

[woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 30 september 1999 - de verdachte ter zake “overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een geldboete van tweeduizendvijfhonderd gulden, subsi-diair vijfendertig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.S. van Knippenberg, advocaat te Enschede, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve

3.1. Blijkens de pleitnota, gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de raadsman aldaar onder meer het verweer gevoerd - onder verwijzing naar art. 126 RO - dat de beslissing om te vervolgen niet door de Officier van Justitie maar door de ambtenaren van politie is genomen. Hij heeft hieraan de conclusie verbonden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging.

3.2. Het Hof heeft dit verweer verworpen, daartoe overwegende:

“Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op grond dat de vervolgingsbeslissing niet door de officier van justitie is genomen wordt eveneens verworpen. Het is juist dat het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid tot het nemen van de vervolgingsbeslissing opdraagt aan de officier van justitie, maar de wet verzet zich er niet tegen dat die bevoegdheid onder bepaalde voorwaarden krachtens schriftelijk mandaat wordt uitgeoefend door een daartoe naar het oordeel van de officier van justitie geschikte andere ambtenaar. Dat dat geval zich hier voordoet is door de verdachte niet bestreden en het tegendeel is ook niet aannemelijk geworden”.

3.3. Tot de stukken behoort een akte van uitreiking gehecht aan de inleidende dagvaarding. Blijkens die akte is de inleidende dagvaarding aan de verdachte uitgereikt op 17 juli 1999, zijnde tevens de in de tenlastelegging genoemde dag van het strafbare feit. Hierop is art. 126 RO, dat op 1 juni 1999 in werking is getreden, dus van toepassing. Ingevolge dit artikel kan de uitoefening van een of meer bevoegdheden van de officier van justitie - zoals het nemen van de beslissing om tot vervolging van een bepaalde verdachte over te gaan - worden opgedragen aan een ander doch slechts wanneer deze een bij het parket werkzame ambtenaar is en voorzover het hoofd van het parket daarmee heeft ingestemd.

3.4. ’s Hofs hiervoor onder 3.2 weergegeven overweging is in strijd met de genoemde wettelijke bepaling en dus onjuist. Voorzover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld. De bestreden uitspraak kan daarom niet in stand blijven en terugwijzing moet volgen. Na terugwijzing zal de rechter moeten onderzoeken of de bevoegdheid om tot vervolging van de verdachte over te gaan hetzij is uitgeoefend door de Officier van Justitie hetzij door deze aan een ander is opgedragen met inachtneming van de in art. 126 RO gestelde vereisten, bij gebreke waarvan hij de inleidende dagvaarding nietig zal moeten verklaren.

3.5. De in het middel vervatte klachten behoeven voor het overige geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 februari 2001.