Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0261

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-02-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00149/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB0261
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 359, geldigheid: 2001-02-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 138
JOL 2001, 170
VR 2002, 156

Uitspraak

27 februari 2001

Strafkamer

nr. 00149/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 juni 1999, rolnummer 22/002233-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 18 september 1997 - de verdachte ter zake van “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor een ander is gedood en twee anderen zwaar lichamelijk letsel is toegebracht” veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van tweehonderdveertig uren, in plaats van zes maanden gevangenisstraf, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie jaren, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, althans dat het Hof feiten en omstandigheden redengevend heeft geacht zonder dat deze redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen in een wettig bewijsmiddel dat deel uitmaakt van het arrest.

Blijkens de op het middel gegeven toelichting kan in het bijzonder uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat er sprake was van een vochtig wegdek ten tijde van het ongeluk, dat de weg waar het ongeluk plaatsvond de verdachte bekend was en dat die weg algemeen als zeer gevaarlijk bekend staat.

3.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij op 02 november 1996 te Hoogvliet in de gemeente Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer onvoorzichtig, onoplettend onachtzaam te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Groene Kruisweg, welk onoplettend, onvoorzichtig onachtzaam rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar, terwijl

-hij, rijdende over de zuidelijke rijbaan van voornoemde, buiten de bebouwde kom gelegen Groene Kruisweg voormelde kruising naderde en

-ter plaatse een maximum snelheid gold van 80 kilometer per uur en

-het verkeer ter plaatse van die kruising werd geregeld door een driekleurige verkeerslichtinstallatie en/of het in verdachtes richting rijdende verkeer ongeveer 300 meter voor die kruising door middel van oranje knipperlichten en/of daaronder aangebracht waarschuwingsbord met daarop aangebracht het symbool van een verkeerslichtinstallatie werd gewaarschuwd voor het naderen van die kruising met verkeerslichten en

-op de door verdachte bereden rijbaan, nabij voormelde kruising op de rechter rijstrook van de twee rijstroken bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer (gezien verdachtes rijrichting) een of meer auto’s stilstonden in verband met rood licht dan wel optrokken in verband met een groen geworden verkeerslicht, heeft gereden met een snelheid die lag tussen 110 en 150 kilometer per uur, althans met een zeer hoge snelheid, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, en niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en aldus rijdend gekomen nabij voornoemde kruising, rijdend op de gezien zijn, verdachtes rijrichting linker rijstrook - toen een zich voor hem bevindende auto (Ford Mondeo) vanaf de rechter rijstrook naar de door verdachte bereden linkerrijstrook stuurde - het door hem, verdachte, bestuurde voertuig naar rechts heeft gestuurd teneinde voornoemde Ford Mondeo rechts voorbij te rijden, zulks terwijl op dat moment op die rechter rijstrook een andere auto (met in werking zijnde alarmverlichting) stilstond (in verband met het afslaan van de motor en/of startproblemen en/of motorpech), en vervolgens met zeer hoge snelheid met het door hem, verdachte bestuurde voertuig tegen de achterzijde van die stilstaande auto (Alfa Romeo) is aangereden, waardoor een inzittende van die personenauto (Alfa Romeo), genaamd [slachtoffer 1], is overleden en twee, inzittenden van die auto, genaamd [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum] 1992) en [slachtoffer 3] (geboren [geboortedatum] 1994) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht (te weten een gebroken (rechter) bovenbeen respectievelijk een gebroken (linker)onderbeen en een gebroken (rechter)onderbeen met inwendige bloedingen en letsel en/of beknelling van zenuwen en bloedvaten)”.

3.3. De in het middel bedoelde nadere bewijsoverweging van het Hof luidt:

“Uit de verklaringen van de getuige [getuige 1], de verklaringen die de getuige [getuige 2] kort na de aanrijding tegenover de politie heeft afgelegd en de verklaringen van de verdachte, waarmee de meeste andere verklaringen niet in tegenspraak zijn, leidt het hof de volgende gang van zaken af. Bij het verkeerslicht op de Groene Kruisweg enige honderden meters van de plaats van het ongeluk stonden de auto’s van de verdachte en van [getuige 2] vooraan (de auto van verdachte stond rechts van die van [getuige 2]), toen het licht op groen sprong. [Getuige 2] heeft toen plankgas gegeven; de verdachte trok ongeveer even hard op, beiden tot omstreeks 120 kilometer per uur. Toen zij de auto van getuige [getuige 1] achterop reden, heeft verdachte zijn snelheid verder opgevoerd, zodat hij die auto als eerste heeft ingehaald. Mogelijk heeft hij daarna, toen hij de rode verkeerslichten bij de plaats van het ongeluk zag, zijn snelheid iets verminderd, maar nadat die lichten op groen waren gesprongen, is hij met volle snelheid doorgereden.

Zijn snelheid heeft toen tenminste 110 kilometer per uur belopen. Dat is, bij een vochtig wegdek op een kruispunt in een de verdachte bekende en algemeen als zeer gevaarlijk bekend staande weg waarop een maximum snelheid van 80 kilometer per uur is toegestaan, hoogst onvoorzichtig rijgedrag. Dat verdachte, indien hij vanaf het waarschuwingsbord voor de verkeerslichten 80 kilometer per uur had gereden, een botsing met de plotseling zijn rijstrook oprijdende Ford ondanks krachtig remmen niet zou hebben kunnen voorkomen, is niet aannemelijk geworden. Dit rijgedrag van de bestuurder van die Ford is naar

’s hofs oordeel niet zodanig geweest dat het oorzakelijke verband tussen het rijgedrag van de verdachte en het ongeluk daardoor is verbroken”.

3.4. In die overweging heeft het Hof onder meer genoemd de verklaringen van de verdachte. Hoewel die aanduiding op zichzelf onvoldoende nauwkeurig aangeeft om welk onderdeel van welke verklaringen(en) van de verdachte, en dus om welk bewijsmiddel het gaat, heeft het Hof klaarblijkelijk het oog gehad op de volgende verklaringen van de verdachte, waarvan de korte inhoud ter terechtzitting in hoger beroep is meegedeeld.

3.4.1. Tijdens zijn verhoor door de Rechter-Commissaris op 4 november 1996 heeft de verdachte blijkens het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal onder meer verklaard:

"Op 2 november 1996 reed ik in mijn Renault 5 turbo over de Groene Kruisweg te Rotterdam. Het klopt dat het ongeveer 09.30 uur was. Het wegdek was vochtig".

3.4.2. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 februari 1997 heeft de verdachte aldaar blijkens het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal onder meer verklaard:

"Toen ik op 2 november 1996 bij de kruising op de Nieuwe Wetering arriveerde stond er een Jeep op de linker rijstrook. Ik ben op de rechter rijstrook gaan staan want die was vrij. Ik ben ter plaatse goed bekend want ik rijd dit traject drie tot vier keer per week".

3.5. Dat de Groene Kruisweg te Hoogvliet in de gemeente Rotterdam een weg is die algemeen als zeer gevaarlijk bekend staat, heeft het Hof aangemerkt als een feit van algemene bekendheid, welk feit geen bewijs behoeft.

3.6. Aldus heeft het Hof ter ondersteuning van de in het middel bedoelde onderdelen van zijn in de genoemde bewijsoverweging vervatte oordeel voorzover deze bewijs behoefden, gebruik gemaakt van wettige bewijsmiddelen. Daaraan doet niet af dat de inhoud van die bewijsmiddelen niet is opgenomen onder de bewijsmiddelen die zoals gebruikelijk zijn weergegeven voorafgaand aan de bewezenverklaring.

3.7. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Beoordeling van het tweede en van het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren

A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 27 februari 2001.