Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0203

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2001
Datum publicatie
19-03-2004
Zaaknummer
R00/095HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB0203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet herziening bedingen bij erfstelling of legaat 1, geldigheid: 2001-02-23
Wet herziening bedingen bij erfstelling of legaat 2, geldigheid: 2001-02-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 147
JWB 2001/70

Uitspraak

23 februari 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/095HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

DE GEMEENTE ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli.

1. Het verzoek

Op 18 juli 2000 is bij de Hoge Raad ingekomen een verzoekschrift van de Gemeente Rotterdam - verder te noemen: de Gemeente - waarbij de Gemeente toepassing verzoekt van de Wet van 1 mei 1925, Stb. 174, tot herziening in het algemeen belang van bij erfstelling of legaat gemaakte bedingen, zoals gewijzigd bij Wet van 31 mei 1956, Stb. 327 (verder: de Museumwet). De Gemeente heeft verzocht het beding waaronder [erflater] - verder te noemen: de erflater - bij testament van 28 juni 1938 aan haar een verzameling postzegels heeft gelegateerd, te herzien, althans geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.

2. Behandeling van het verzoek

Uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken blijkt dat de erflater zonder wettige afstammelingen is overleden en dat de echtgenote van de erflater is overleden.

De Advocaat-Generaal L. Strikwerda heeft op 22 december 2000 geconcludeerd dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, een verhoor als bedoeld in art. 2 lid 4 van de Museumwet zal bepalen.

3. Beoordeling van het verzoek

3.1 Op grond van het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken kan het volgende als vaststaand worden aangenomen.

(i) De erflater is - 73 jaar oud - op 22 maart 1953 te Rotterdam overleden.

(ii) De erflater was buiten gemeenschap van goederen gehuwd met [de echtgenote] die op 29 januari 1975 is overleden. De erflater had geen wettige afstammelingen.

(iii) De erflater heeft bij testament, op 28 juni 1938 verleden voor notaris [B] te Rotterdam, over zijn nalatenschap beschikt en daarbij onder meer verklaard te legateren:

"A. aan de Gemeente Rotterdam:

a. ( ... )

b. voor en ten behoeve van het Gemeente Archief

1. ( ... )

2. mijn belangrijke verzameling postzegels (waarin rariteiten van het Nederlandsch Taalgebied, daaronder ook begrepen, die van Zuid-Afrika en België (te weten, die waarop de Nederlandsche Taal voorkomt) ter bewaring, géén uitgezonderd, te Rotterdam;"

3.2 Het verzoek van de Gemeente strekt ertoe dat de Hoge Raad het in het hiervoor in 3.1 onder (iii) aangehaalde bij legaat gemaakte beding, wat het daarin voorkomende gedeelte met de woorden "ter bewaring, géén uitgezonderd, te Rotterdam" betreft in het algemeen belang zal herzien, althans geheel of gedeeltelijk vervallen zal verklaren, en dienaangaande zal bepalen:

primair: dat deze postzegelcollectie vanaf het door de Hoge Raad te bepalen tijdstip in bruikleen mag worden gegeven aan de "Stichting Museum voor Communicatie", voorheen "Stichting Het Nederlandse PTT Museum" te 's-Gravenhage;

subsidair: dat alleen de in het legaat voorkomende woorden "te Rotterdam" vervallen, althans dat het aangehaalde, in het legaat voorkomende, beding vervalt.

3.3 De Gemeente heeft ter ondersteuning van haar verzoek, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.

(a) De verzameling postzegels bevindt zich in een kluis van de Archiefdienst van de Gemeente. Deze verzameling moet worden beschouwd als een voortbrengsel van kunst en behoort aldus tot ons erfgoed. De verzameling moet ook worden beschouwd als een verzameling voorwerpen van geschiedkundige en/of wetenschappelijke aard. Het beding heeft betrekking op de plaats waar deze verzameling wordt bewaard.

(b) De Gemeente mist de mogelijkheden en de kennis om de verzameling elders in te passen en de toegankelijkheid en bruikbaarheid ervan te verbeteren.

(c) Het bewaren van de postzegels brengt mee dat de postzegels worden geconserveerd. De daartoe vereiste specialistische kennis ontbreekt bij de Gemeente.

(d) De onderhavige verzameling vertegenwoordigt in kunstzinnig en wetenschappelijk opzicht een grote waarde. Het opbergen ervan in een kluis wordt "niet-toereikend" geacht.

(e) De te Rotterdam gevestigde musea hebben verklaard dat zij geen belangstelling hebben voor de verzameling, althans dat deze verzameling niet past binnen hun doelstelling.

(f) Het algemeen belang is ermee gediend dat de verzameling wordt bewaard in het in 3.2 genoemde museum. Daardoor kan de verzameling op deugdelijke wijze worden ontsloten voor wetenschappers en collectioneurs.

3.4 Aan de vereisten die worden gesteld in art. 1 van de Museumwet, is voldaan, zoals uiteengezet in onderdeel 4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda.

3.5 De duidelijke strekking van het beding is dat de verzameling postzegels als één geheel te Rotterdam zal worden bewaard. Voorts mag worden aangenomen dat het strookt met de bedoeling van de erflater dat deze verzameling aldaar kan worden geraadpleegd door belangstellende wetenschappers en collectioneurs.

3.6 De Hoge Raad acht zich nog onvoldoende voorgelicht met betrekking tot de volgende vragen.

(a) Kan nader worden toegelicht op grond waarvan moet worden aangenomen dat de onderhavige postzegelverzameling kan worden aangemerkt als een voorwerp van geschiedkundige en wetenschappelijke aard ?

(b) Kan worden verduidelijkt waarom het Gemeente Archief niet in staat is (i) passende conserveringsmaatregelen te nemen en (ii) op passende wijze te bevorderen dat de toegankelijkheid van de verzameling is gewaarborgd ?

(c) Waarom is er geen andere passende mogelijkheid de verzameling in Rotterdam te bewaren en open te stellen ?

(d) Kan worden verduidelijkt waarom het algemeen belang herziening van het beding rechtvaardigt en waarom, in het bijzonder, bewaring van de verzameling bij de Stichting Museum voor Communicatie uit oogpunt van algemeen belang noodzakelijk is ?

Daartoe zal de Hoge Raad op de voet van art. 2 lid 4 van de Museumwet een vertegenwoordiger van de Gemeente, bij voorkeur de leidinggevende ambtenaar van het Gemeente Archief, en [betrokkene E], conservator bij het Museum voor Communicatie, horen. De Gemeente zal bij deze gelegenheid desgewenst ook andere personen kunnen doen horen over de voormelde vragen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

bepaalt een verhoor als bedoeld in art. 2 lid 4 van de Museumwet;

bepaalt dat de hiervoor genoemde personen kunnen worden gehoord ter zitting van de Hoge Raad op vrijdag 6 april 2001 des voormiddags te 10.45 uur in het gebouw van de Hoge Raad aan de Kazernestraat 52 te 's-Gravenhage;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 23 februari 2001.